|
Spiekermann-rapport 1998 - Een kritische
beschouwing
Inleiding
Op 14 november 1998 verscheen de Luchthaven Antwerpen Feasibility Study van het studiebureau Spiekermann GmbH & Co. Consulting Engineers, Airport Division, Stuttgart, Duisburg. Dit studiebureau diende voornamelijk de technische aspecten voor drie opties zijnde sluiting, optimalisering zonder verlenging en optimalisering met verlenging van de startbaan te onderzoeken. Dit in tegenstelling met het bureau Ernst & Young, die vooral de financiële kant van 5 opties diende te bestuderen
Na lezing van dit rapport kunnen enkele opmerkingen en bedenkingen naar voor worden gebracht, die in 7 punten worden besproken, zie overzicht hierna.
2.1. De vorm verraadt de bedoeling
De studie besteedt
 | 5 bladzijden aan een samenvatting; |
 | 20 bladzijden aan kritisch onderzoek van bestaande studies; |
 | 35 bladzijden aan de eigen analyse; |
 | 24 bladzijden aan controle en samenvatting van de resultaten van de analyse; |
 | 38 bladzijden aan potentieel en prognose, waarbij |
 | 1,5 bladzijden aan het alternatief 1: behoud van de status-quo met een startbaanlengte van 1.510 m; |
 | 34 bladzijden aan het alternatief 2: uitbreiding van de verkeersinfrastructuur naar 2000 rekening houdende met verschillende verkeerssoorten; |
 | 0,5 bladzijde aan het alternatief 3: consequente sluiting van de luchthaven. |
 | 3,5 bladzijden aan supplement "actiegroep". |
Markant is dat in de samenvatting van 5 bladzijden, 1 bladzijde is gewijd aan het alternatief, sluiting en afbraak en een derde bladzijde aan het alternatief, behoud van een status-quo.
Kunnen we hieruit alleen al niet besluiten dat de studie eenzijdig werd opgesteld zonder alle alternatieven evenwaardig te bestuderen? Het studiebureau Spiekermann kan er worden van verdacht om bij hun studie vertrokken te zijn van een welbepaald resultaat - optimalisatie met verlenging - waarna alle onderzoeksgegevens in functie hiervan dienden te gebeuren.
2.2. Het alternatief, consequente sluiting van Deurne luchthaven
2.2.1. De cijfers van de Dienst Afzonderlijk Beheer
Het Spiekermann-rapport neemt ramingen van de Dienst Afzonderlijk Beheer met betrekking tot de afbraakkosten vanuit Appendix 9 van de studie Ernst & Young zonder verdere overwegingen over:
2.2.2. De opmerkingen van de GIMV
De hieronder in cursief vermelde opmerkingen van de heer Fierens, Senior Investment Manager bij de Gewestelijke Investeringsmaatschappij Vlaanderen (GIMV) in appendix 15 van de studie Ernst & Young worden in de studie Spiekermann genegeerd.
Enerzijds dient eerst een keuze te gebeuren welke gedeelten men eventueel wenst te behouden (zelf in de "parkoptie" zou men zich kunnen afvragen of de runway wel dient uitgebroken te worden).
Anderzijds lijken bepaalde ramingen zeer hoog:
Er is geen zicht op het feit of de startbaan effectief 1 m dik is;
Asfalt is herbruikbaar (mits beperkt teergehalte), nl. als onderfundering op andere bouwwerven (dus zijn de stortkosten van 80 miljoen BEF uit te sluiten);
In globo lijkt 1.500 BEF/m³ voor zowel opbraak, stortkost en "herstel" voldoende;
De "herstelkost als natuurlijk terrein" lijkt hoog: 1.000 BEF/m³ is typisch een bedrag om gestabiliseerd zand aan te brengen.
Het is duidelijk dat eerst een duidelijkere raming dient te geschieden alvorens de vermelde bedragen de facto als "waarheid" aan te nemen. Slechts een effectieve offerteaanvraag onder afbrekers brengt voor het moment zelf duidelijkheid. Veel is afhankelijk of een afbreker voldoende capaciteit heeft, in de buurt actief is en of hij de materialen kan recycleren voor een werf in de buurt etc.
2.2.3. Waarom overschat de Dienst Afzonderlijk Beheer de ramingen?
Het antwoord op deze vraag zit vervat in het hoofdstuk III De overheidsuitgaven van het Handboek Openbare Financiën van Wim Moesen en Vic Van Rompuy uitgegeven bij Acco, blz 88 - 89 betreffende Bureaucratische aanbodtheorieën.
Wij citeren: "Naar analogie met het economische gedrag van andere acteurs in de economie (nutsmaximalisatie van consumenten, winstmaximalisatie van producenten) zoekt de economische theorie van de politiek naar de maximand van de ambtenaar uit de bureaucratie. Uitgangspunt is dan ook dat de ambtenaar meer oog heeft voor zijn persoonlijk nut dan voor het vage algemene belang. Elementen in de bureaucratische nutsfunctie zijn dan: salaris, emolumenten, aantal ondergeschikten, prestige, status, e.d. Aangezien deze elementen allen min of meer direct gerelateerd zijn aan de omvang van het budget, wordt aangenomen dat de karakteristieke gedragsregel van de bureaucraten deze is van budgetmaximalisatie. Dit is een eerste basishypothese van deze school. Een tweede veronderstelling is deze van monopolistische bureaucratieën. Concurrentie tussen diverse aanbodinstellingen bij de voorziening van éénzelfde publiek goed wordt uitgesloten.
De budgetmaximalisatie kan twee kanten uitgaan. Ofwel worden te veel publieke goederen aangeboden (overexpansiehypothese), ofwel verloopt de publieke productie tegen te hoge kosten (overkostenhypothese)."
2.2.4. Besluiten
Hieruit mogen we besluiten dat:
Het studiebureau Spiekermann zich éénzijdig heeft laten leiden door een onbetrouwbare informatiebron, zijnde de Dienst Afzonderlijk Beheer, terwijl deze laatste er immers alle belang bij heeft dat de luchthaven van Deurne blijft bestaan.
Het studiebureau Spiekermann onzorgvuldig en wellicht vooringenomen te werk is gegaan;
Het studiebureau Ernst & Young veel beter heeft gewerkt zodat de kritiek van Spiekermann op het eerste bureau voor een groot deel onterecht blijkt te zijn;
2.3. Het rendement bij optimalisatie met verlenging
2.3.1. Waarop steunt het onderzoek?
Het onderzoek naar het potentieel steunt op de informatie van de Kamer van Koophandel, de verkoopsstatistieken van de IATA en op schriftelijke en mondelinge blijken van belangstelling van reisagenten en lijnvlucht- en non-scheduled maatschappijen ten aanzien van de openstelling van nieuwe verbindingen (zie samenvatting blz. 10).
2.3.2. Het oordeel van een Nederlandse deskundige betreffende het rendement
Hierna volgen de opmerkingen van de heer Stefan Schepers in appendix 12 van de Studie Ernst & Young:
Wij citeren: "In tegenstelling tot wat we vernomen hebben in bijna alle gesprekken, minimaliseert de heer Stefan Schepers van EPPA (European Public Policy Advisers) het belang van de luchthaven. De heer Schepers verleent advies aan NV luchthaven Schiphol voor de uitbouw van hun toekomststrategieën en heeft tevens voor andere luchthavens gewerkt. Volgens de heer Schepers (en hier spreekt hij ook in naam van NV luchthaven Schiphol) heeft NV Luchthaven Schiphol een strategie uitgewerkt voor de uitbouw van de as Zaventem - Charleroi - Schiphol. Vanwege de internationale concurrentie (vooral van Londen, Parijs en Frankfurt) is het noodzakelijk voor Zaventem en Schiphol om een gezamenlijke strategie uit te bouwen. Het is hierbij de bedoeling om de internationale vluchten te verdelen tussen de beide luchthavens. Charleroi zou omwille van de uitbreidingsbeperkingen van Zaventem, fungeren als uitwijkmogelijkheid voor Brussel.
De regionale luchthavens van Oostende en Luik worden niet opgenomen in de geplande as, maar zullen profiteren van de geplande wijziging aangezien vooral cargotransport zich zal verplaatsen naar deze regionale luchthavens. De luchthaven van Deurne heeft geen bestemming in de geplande strategie. Volgens de heer Schepers (en hierbij spreekt hij enkel in eigen naam) heeft de luchthaven van Deurne, zelfs bij een startbaanverlenging, geen toekomst. De luchthaven heeft onvoldoende marktpotentieel (om een aantal van 1.000.000 passagiers per jaar te bereiken, wat nodig zou zijn om uit de kosten te komen) en zal veel concurrentie ondervinden van de HST. In de toekomst zou de HST namelijk lopen van Brussel Zuid naar Schaarbeek en via Zaventem naar Berchem en verder naar Rotterdam, Schiphol en Amsterdam."
2.3.3. Opmerkingen op een studie door de Kamer van Koophandel
Onder punt 3.1.4. "Het belang van de Internationale Luchthaven van Antwerpen en haar optimalisering voor de Antwerpse regio", Antwerpse Kamer van Koophandel en Nijverheid, 3/96 lezen we:
Men verdedigt daarin het standpunt dat een optimalisering van de benutting van de luchthaven wat overeenstemt met een verbetering van de technische uitrusting, de verlenging van de startbaan naar 2.000 meter en de ondertunneling van de Krijgsbaan voor een geschatte investeringssom van 1,1 miljard, absoluut noodzakelijk (1ste prioriteit) is, om:
De rendabiliteit van de thans actieve vliegtuigmaatschappijen te verbeteren (vermijden van non-quality kosten door beperkingen van bijkomende lading en reikwijdte);
De strategische concurrentievoordelen (flexibel reactievermogen op de behoeften van de regionale economie, centrale ligging in de regio, korte afhandelingstrajecten en -tijden, kosteloze parkeerplaatsen, nog ongebruikte capaciteiten, vervullen van de functies als regionale luchthaven in het Trans European Airport Network (TEN), als uitwijkluchthaven, als ontlastingsluchthaven voor Zaventem, als NAVO-luchthaven, als luchthaven voor zakenreizen en feederluchthaven) beter te kunnen benutten;
Tegemoet te komen aan de vraag de regionale economie en de interesse van andere luchtvaartmaatschappijen met betrekking tot de bediening van nieuwe bestemmingen (enquête van de Kamer van Koophandel in 1991 en de Handelshogeschool in 1995; gevraagde bestemmingen: Zurich, Frankfurt, Parijs, Milaan, Hamburg, Genève.
Als besluit op deze studie lezen op blz. 28 van het Spiekermann-rapport: "Als kritiek op deze paper kan men aanvoeren dat hier een zuivere macro-economische dus staatshuishoudkundige overweging in algemene uitspraken gebeurt. Deze uitspraken worden vanwege de auteur niet onderbouwd. Daarom zijn de significante effecten van de luchthavenexploitatie op de economie en dus op het inkomen en de tewerkstelling en dus op de maatschappelijke structuren in de regio niet duidelijk genoeg geaccentueerd."
2.3.4. Bedrijfswereld onvoldoende geïnteresseerd
Guido De Brabander is hoogleraar in de economische geografie, de ruimtelijke economie en de economie van het toerisme aan de UFSIA-universiteit Antwerpen. Aan dezelfde universiteit zijn Frank Witlox en Luc Vervoort verbonden respectievelijk als assistent algemene economie en als onderzoeksmedewerker aan het Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek. Ze schreven het boek "Metropolis, over mensen, steden en centen", uitgegeven bij Kritak naar aanleiding van een enquête onder 550 Antwerpse bedrijven. In tabel 3.1: Sterkten van de stad Antwerpen treffen wij aan:
|
Item
|
Antwoorden per thema
|
Totaal der antwoorden
|
|
Haveninfrastructuur en - werking
|
|
121
|
|
- haven
|
115
|
|
|
- luchthaven
|
6
|
|
Op bladzijde 51: "Opvallend is dat een van de hete hangijzers in het publiek debat, nl. de aanleg van de grote ring, naar verhouding maar weinig aandacht krijgt. Hetzelfde geldt overigens voor de luchthaven."
2.3.5. I.A.T.A. Benelux Passenger & Cargo Report, IATA 1998
Deze niet-openbare statistische evaluatie waarover de commerciële cel van de luchthavens beschikt, is gebaseerd op tickets, die door Belgische agentschappen uitgeschreven en via afrekeninggereedschap BSP van IATA afgerekend werden.
Het Spiekermann-rapport trekt volgende conclusies uit bovenstaande evaluatie: "Op grond van dit cijfermateriaal, de vrijwel overeenstemmende enquêteresultaten van de Antwerpse Kamer van Koophandel in de lokale economie en in combinatie met de blijken van belangstelling vanwege enkele Europese regionale luchtvaartmaatschappijen in geval van een verlenging van de startbaan naar 2.000 meter, nieuwe routes uit te bouwen, lijkt een potentieel dat daaraan beantwoordt, voor de uitbreiding van routes met Antwerpen als vertrekpunt aanwezig te zijn. Dat moet aan de hand van gepaste studies van die routes individueel onderzocht worden."
2.3.6. Kritische opmerkingen
Uit het voorgaande kunnen we volgen opmerkingen maken:
Spiekermann baseert zijn onderzoek naar rendabiliteit op meningen van organisaties en mensen die er alle belang bij hebben dat de luchthaven van Deurne blijft bestaan en vragende partij zijn voor een verlenging van de startbaan.
Spiekermann houdt geen rekening met de kritische opmerkingen van deskundigen (de heer Schepers en hoogleraar De Brabander) die objectief staan tegenover de problematiek;
Het is des te eigenaardiger dat Spiekermann de adviezen van de Kamer van Koophandel volgt maar in haar eigen nota de paper van diezelfde Kamer van Koophandel als onvoldoende onderbouwd beschouwd;
Er is een groot verschil inzake de belangstelling vanwege het bedrijfsleven voor de Deurnese luchthaven vast te stellen tussen enerzijds de stelling in het rapport Spiekermann en anderzijds een studie van hoogleraar De Brabander;
Bovendien wil het niet zeggen dat indien bedrijven belangstelling betonen, dat ze daadwerkelijk zullen investeren. Tussen woord en daad is een hemelsbreed verschil.
De conclusie onder punt 4.5. dat de routes door middel van studies individueel nog moeten worden onderzocht, staat haaks op de conclusie gesteld in de samenvatting dat een rendement principieel verzekerd is;
Het Spiekermann-rapport blijkt onvoldoende rekening te houden met het feit dat in het verleden lijnen naar verschillende bestemmingen (Hannover, Hamburg, Liverpool, Manchester, Nice, Parijs, Rotterdam, enz.) voortijdig zijn opdoekt wegens het gebrek aan belangstelling.
Uit de 7 vorige opmerkingen kunnen we besluiten dat de rendabiliteit van de luchthaven helemaal niet verzekerd is omdat bij een privatisering, ook gedeeltelijk, de participatie van privé-ondernemingen niet hard kan worden gemaakt, wat het Spiekermann-rapport ook mag beweren.
2.4. Overschatting van de luchthaven als
jobmachine
2.4.1. Het Spiekermann-rapport
Op blz. 81 onder punt 4.6.2. Alternatief 2:
uitbreiding van de verkeersinfrastructuur naar 2.000 meter
rekening houdende met verschillende verkeersscenario's van het
Spiekermann-rapport citeren we: "Op grond van het
algemene erkende effect van luchthavens als "economische
kiemcel" en "jobmachine" en de economisch
sterke punten van de Antwerpse regio schijnen
multiplicatoreffecten bij tewerkstelling van 1 : 1,5 (d.w.z.
een arbeidsplaats op de luchthaven creëert door indirecte en
geïnduceerde effecten 1,5 bijkomende arbeidsplaatsen) en
inkomsten van 1 : 0,75 (d.w.z. dat een EURO verdiend op de
luchthaven voor bijkomende inkomsten van 0,75 EURO zorgt) tot
de mogelijkheden te behoren. Bovendien zijn door het behoud en
de uitbreiding van de luchthavencapaciteit bijkomende niet
becijferbare economische stimulerende functies binnen den TEN
(Trans European Airport Network) en binnen België te
verwachten.
2.4.2. Het Ernst & Young-rapport
Op blz. 45 onder Deel 5, punt 4
"Productiviteitsratio's" met betrekking tot het
overheidspersoneel vinden we: "Bij een toename van de
activiteiten zal de huidige personeelsstructuur deze stijging
kunnen opvangen, zodat een efficiëntere inzetting van de
werknemers een stijging van de activiteiten in Deurne vereist."
Met andere woorden hetzelfde aantal werknemers voor meer werk.
2.4.3. Perspectievennota KLI
In 1997 werd een perspectievennota Kleine
Luchtvaart Infrastructuur opgesteld in een gezamenlijke
uitgave van de ministeries van Verkeer & Waterstaat,
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening & Milieubeheer en
Defensie in het kader van het project Toekomstige Nederlandse
Luchtvaart Infrastructuur (cfr. voor Nederland).
In de rubriek 6.3 Economische betekenis
kleine luchtvaartsector lezen we: "De directe economische
betekenis van de kleine luchtvaart (cfr. Trainingsvluchten,
recreatievluchten, enz. ) is beperkt. De totale
toegevoegde waarde (circa 67 mln gulden) bedraagt ongeveer
0,15 % van de totale bruto toegevoegde waarde van de sector
Transport, opslag en communicatie. De sector is rechtstreeks
verantwoordelijk voor circa 800 fulltime-equivalenten (fte) (a)
en indirect naar schatting voor een kleine 200 fte. In totaal
gaat het dus om een kleine 1.000 arbeidsplaatsen.
De bedrijfseconomische situatie van zowel
de luchthavens als de bedrijven in de sector is, behoudens
enkele uitzonderingen, niet zo florissant. De winstmarges zijn
laag (3 à 5% van de omzet) en de financiële reserves
beperkt. Bovendien kenmerkt de sector zich door het feit dat
de kosten voor een belangrijk deel vast zijn en de opbrengsten
variabel."
Per duizend vliegbewegingen werd de
werkgelegenheid aan fulltime-equivalenten (fte) op blz. 42 van
de nota in de kleine luchtvaart berekend:
|
Criterium
|
Verplaatsingen
|
Recreatie
|
Maatschappelijk
|
Les/Oefen
|
Bedrijfsmatig
|
|
Werkgelegen-heid
|
1,33 fte
|
0,33 fte
|
1,33 fte
|
0,93 fte
|
1,33 fte
|
(a) Fte betekent
Fulltime-equivalenten en staat voor het aantal voltijdse
arbeidsplaatsen
2.4.4. Eigen berekening van het aantal
arbeidsplaatsen
2.4.4.1. Bronnen
Tot nu toe werden met allerlei cijfers
gegoocheld door de Kamer van Koophandel, de luchthavendirectie
die onvoldoende waren onderbouwd. Hierna volgt een berekening
die enerzijds gebaseerd is op concreet cijfermateriaal in een
artikel "Luchthaven Deurne is drukt bevolkt" van
Antwerpen Positief van 3 februari 1999 en anderzijds een
berekening van aantal arbeidsplaatsen volgens de Nederlandse
studie in 5.3.
Het bewuste artikel van Antwerpen Positief
vermeldt 450 arbeidsplaatsen, zonder te specifiëren of het om
fulltime of deeltijdse banen gaat.
2.4.4.2. Berekening van de directe
tewerkstelling
 | Volgens Antwerpen Positief stelt VLM 160 mensen tewerk in
Antwerpen, Rotterdam, Mönchengladbach, Luxemburg en Londen.
Hoeveel mensen er werkelijk werken op de luchthaven van
Deurne wordt niet vermeld. Zodoende moeten wij overgaan tot
een raming: 10 stafmedewerkers + (150 : 5 bestemmingen) = 40
deeltijds en fulltime jobs (40 x 0,8 (a) = 32
fte);
 | KLM : raming van 4 fte;
 | Travair stelt 12 mensen tewerk voor onderhoud van
vliegtuigen en de verkoop ervan. Hierin zijn ook deeltijdse
arbeidsplaatsen meegerekend. 12 x 0,8(a) = 9,6
fte, afgerond 10 fte.
 | Belgavia heeft als handlingmaatschappij ongeveer 20 mensen
in dienst. Hierin zijn ook deeltijdse jobs vervat. 20 x 0,8*
= 16 fte;
 | Voor de 10 expeditiebedrijven, rekenen we op een
gemiddelde van 2 fulltime-equivalenten (= 20);
 | Voor de berekening van kleine luchtvaart gaan we uit van
bewegingen op jaarbasis, met referentiejaar 1996 (49.078
bewegingen). |
| | | | |
Naar Nederlands model betekent dit
Touringvluchten en lokale vluchten (=
recreatie) : 22,318 x 0,33 fte = 7,364 fte
Trainingsvluchten : 24,214 x 0,93 fte =
22,519 fte
Andere vluchten : 2,102 x 1,33 fte = 2,795
fte
32,678 fte,
 | Tax-free, banken, krantenwinkel : 9 fte
 | Overheidspersoneel 110 x 0,8 (a) : 88 fte |
|
|
Maatschappij of dienstengroep
|
Aantal fulltime jobs
|
|
VLM
|
32
|
|
KLM
|
4
|
|
Travair
|
10
|
|
Belgavia
|
16
|
|
Taxfree, banken, krantenwinkel
|
9
|
|
Kleine luchtvaart
|
33
|
|
Expeditiebedrijven
|
20
|
|
Subtotaal
|
124
|
|
Overheidspersoneel
|
88
|
|
Totaal
|
212
|
(a) Factor, rekening houdend met
deeltijdse jobs
2.4.4.3. Berekening van de indirecte
tewerkstelling
De indirecte tewerkstelling wordt berekend
aan de hand van de werkelijke tewerkstelling in de privé-sector.
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine luchtvaart
met 33 fulltime-equivalenten en de "grote"
luchtvaart met (124 - 33 =) 91 fulltime-equivalenten.
(124 - 33) x 1,5 (b) + 33 x 0,25
(c) = 145 fte
(b) Factor, voorgesteld door
Spiekermann, onder punt 5.1.
(c) Factor, afgeleid van de
perspectievennota Kleine Luchtvaart Infrastructuur, (200/800 =
0,25), zie 5.3.
2.4.5. Hoeveel arbeidsplaatsen zou een
verlenging van de startbaan meebrengen?
Volgens een nota van de
luchthavencommandant, voorgesteld op de studiedag van 17
november 1998 in het gebouw van het Europees Parlement te
Brussel zou dit gaan om 80 tot 100 arbeidsplaatsen.
Het Spiekermann-rapport heeft geen concrete
cijfers, terwijl de studie Ernst & Young vindt dat het
aantal mensen tewerkgesteld in overheidsdiensten niet moet
worden uitgebreid bij een eventuele verlenging van de
startbaan.
Veel zal afhangen van het aantal
maatschappijen die zullen komen vestigen. Er wordt door de
luchthavencommandant gesproken van een vijftal gegadigden.
Daar KLM het met een viertal personeelsleden stelt voor 1
lijn, kan worden gesproken van 5 x 4 fte = 20 fte. Daarnaast
zullen nog wat mensen tewerk worden gesteld in
expeditiebedrijven en toeleveringsbedrijven. Dit kan ruw
geschat zo'n 20 fte aan banen opleveren.
Indien de kleine luchtvaart wordt
afgebouwd, zullen op termijn 33 fte aan arbeidsplaatsen in het
gedrang komen.
Samengevat, de creatie van tewerkstelling
zal op een termijn van 15 jaar eerder gering zijn.
2.4.6. Het argument van tewerkstelling als
laatste strohalm
 | Spiekermann laat in haar samenvatting ten onrechte
uitschijnen dat luchthavens als "economische
kernen" en "tewerkstellingmachines"
fungeren;
 | In het Spiekermann-rapport worden uitspraken gedaan met
betrekking tot tewerkstelling, terwijl de nodige studie
hierover ontbreekt. Blijkbaar worden de cijfers van de
luchthavendirectie zonder verificatie kritiekloos
overgenomen. Er wordt geen rekening gehouden met het feit
dat kantoorruimte wordt verhuurd aan bedrijven die met de
luchthavenactiviteiten geen enkel uitstaans hebben (bv.
Carwashmaatschappij, Taxibedrijven, bepaalde
expeditiebedrijven, enz.). Van de term
fulltime-equivalenten (fte) blijken ze nog nooit te hebben
gehoord.
 | Bij de optie, sluiting en afbraak wordt ten onrechte
ervan uitgegaan dat van de ene op de andere dag alle
personeelsleden en werknemers op straat staan. Er wordt
geen rekening gehouden met het feit dat personeel op
andere plaatsen binnen hetzelfde bedrijf kunnen blijven
werken. Hierbij denken we aan overheidspersoneel
(douaneambtenaren kunnen in de Antwerpse haven worden
tewerkgesteld, waar een nijpend tekort heerst) en aan
expeditiebedrijven die een eerder een aanwezigheidsfunctie
uitoefenen, waarbij één werknemer enkele aangiften per
dag afhandelt met betrekking tot luchtvracht. |
| |
2.5. Vergelijking met andere luchthavens
2.5.1. Kritiek van Spiekermann op de studie van Ernst & Young
In haar kritiek op de studie Ernst & Young stelt Spiekermann:
Als men de studie aan een kritisch onderzoek onderwerpt stelt men
diverse duidelijke en zwaarwegende tekorten vast, die een invloed
hebben op de resultaten en conclusies die worden voorgesteld aan de
hand van enkele voorbeelden:
De vergelijking van de luchthaven van Antwerpen met de vijf
Europese luchthavens Metz, London City, Rotterdam, Eindhoven en
Dortmund aan hand van de criteria ondernemingsvorm, aandeelhouders,
ligging en regio, eigen activiteiten, aantal bestemmingen, aantal
passagiers gedifferentieerd volgens lijnvluchten, niet-geregeld en
General Aviation, lengte van de startbaan, ILS-categorie (a)
en openingsuren, blijkt problematisch of haast ten dele ongeoorloofd
omdat:
 | De infrastructuurwerken, waarvan wordt gezegd dat
ze analoog zijn, onderling sterk afwijken, b.v.
|
 | Een
1.510 meter lange start- en landingsbaan in Antwerpen in
vergelijking met 1.199 met in London City, 1.450 meter in
Dortmund, 2.200 meter in Rotterdam, 2.500 meter in Metz en 3.000
meter in Eindhoven;
|
 | Sterk
afwijkende en door de betrokken luchtvaartinstanties gepubliceerde
aanvliegprocedures - precisie en niet-precisie - en daarmee
verbonden hindernisvrije aanvliegsectoren;
|
 | Het
aantal passagiers, de structuur van de passagiers, afhankelijk van
de verkeersdragers algemene luchtvaart, lijnvluchten,
niet-geregelde vluchten, het aantal bestemmingen, het aantal
vliegbewegingen en de rechtstreekse tewerkstelling op de
luchthaven, allemaal factoren die via vergoedingen en tarieven een
grote invloed hebben op kosten en baten en dus op het financiële
resultaat van de luchthaven, onderling sterk verschillen.
|
2.5.2. Wat zegt de
Ernst & Young-studie
In haar samenvatting
onder Deel 3: Europese vergelijking, op blz. 5 stelt Ernst &
Young: "Belangrijk is wel te melden dat nooit een exact
vergelijkbare luchthaven zal kunnen gevonden worden; o.a. bv. qua
aantal passagiers, "catchment area", aantal lijnvluchten en
typische kostenstructuur: het al dan niet ten laste nemen van politie,
brandweer, afschrijvingen, intresten e.d.m.
2.5.3. Vergelijkingen
met Duitse luchthavens door Spiekermann
Onder het punt 3.2.2.5.
Financiële aspecten, op blz. 47, vergelijkt Spiekermann de
tariefstructuur met Duitse vliegvelden:
"In de Europese
vergelijking bevinden zich de voornoemde tariefvoeten (b)
in het onderste middenveld. In vergelijking met Duitse tarieven blijkt
dat de in de AIP België opgegeven vergoedingen kleiner zijn dan die
in Duitsland op vergelijkbare luchthavens met inofficieel
"statuut van regionale luchthaven", d.w.z. over het algemeen
met vliegvelden zonder controle van het luchtverkeer, die ten dele
enkel grasvelden hebben en geen dienstverlening aanbieden voor
vliegtuigen, crews en passagiers."
(a)
ILS : Instrument Landing Systeem
(b)
Met voornoemde tariefvoeten worden de tariefvoeten van de luchthaven
van Deurne bedoeld
2.5.4. Kritische
opmerkingen
2.6.
De wijziging van structuur met betrekking tot vliegtuigtypes
2.6.1. Het Spiekermann-rapport
Tabel Jaarlijkse bewegingen (met niet-geregeld verkeer(a),
zonder GA(b))
|
Fase
|
Categorie I
(16 zitplaatsen)
|
Categorie II
(53 zitplaatsen)
|
Categorie III
(94 zitplaatsen)
|
Categorie IV
(160 zitplaatsen)
|
Som van het aantal
bewegingen
|
Prognose aantal
passagiers
|
|
I (tot 2000)
|
4.314
|
3.687
|
946
|
0
|
8.947
|
203.500
|
|
II (tot 2004)
|
4.842
|
4.597
|
1.180
|
58
|
10.675
|
253.800
|
|
III (tot 2007)
|
6.830
|
6.633
|
2.247
|
176
|
15.887
|
402.800
|
|
IV (tot 2015)
|
10.066
|
8.938
|
4.542
|
742
|
24.288
|
678.500
|
(a)
niet-geregeld
verkeer betekent charters voor onder meer vakantiebestemmingen;
(b)
(b)
GA, betekent General Aviation en staat voor onder
meer trainingsvluchten.
Volgens een prognose van Spiekermann betreffende
verkeersontwikkeling zal de algemene luchtvaart in het 2002 stagneren
rond de 40.000 bewegingen na een continue achteruitgang van rond de 10
% per jaar (zie blz. 86). Zodoende kan men per jaar volgende prognose
maken:
|
Jaar
|
Bewegingen lijn- en
niet-geregelde luchtvaart
|
Bewegingen Algemene
luchtvaart (GA)
|
Som
|
|
2000
|
8.947
|
48.400
|
57.347
|
|
2001
|
9.379
|
44.000
|
53.379
|
|
2002
|
9.811
|
40.000
|
49.811
|
|
2003
|
10.243
|
40.000
|
50.243
|
|
2004
|
10.675
|
40.000
|
50.675
|
|
2005
|
12.412
|
40.000
|
52.412
|
|
2006
|
14.149
|
40.000
|
54.149
|
|
2007
|
15.887
|
40.000
|
55.887
|
|
2008
|
16.937
|
40.000
|
56.937
|
|
2009
|
17.987
|
40.000
|
57.987
|
|
2010
|
19.037
|
40.000
|
59.037
|
|
2011
|
20.087
|
40.000
|
60.087
|
2.6.2. De studie van Ernst & Young
In haar ontsluitingsnota, onder deel 4: Alternatieve
toekomstbeslissingen, punt 3. Optimalisering mét startbaanverlenging
vermeldt Ernst & Young:
Indien, wat voor de berekening de opdracht was, de kostprijs van de
startbaanverlenging ongeveer 1,2 miljard BEF (cfr. 1,7 miljard volgens
Spiekermann), door de luchthaven zelf zou dienen gedragen te worden,
zijn de voorwaarden daartoe:
 | Tarief van 182 BEF naar 250 BEF;
|
 | 10
miljoen frank extra niet-aëronautische inkomsten;
|
 | minimaal
390.000 extra lijnpassagiers (bovenop de huidige 205.000) indien
de luchthaven alleen "de afschrijvingskost" draagt of
minimaal 550.000 extra lijnpassagiers indien de luchthaven ook de
intrest van de investering zou dienen te dragen. Ernst & Young
poneert in de studie dat die stijging vermoedelijk niet te
realiseren zullen zijn of in het eerste geval niet eenvoudig.
|
2.6.3. Kritische
opmerkingen
2.7. Wie zal de optimalisering met verlenging betalen?
2.7.1. Wie zal de optimalisering betalen volgens het studiebureau
Spiekermann?
In de samenvatting op blz. 10 stelt Spiekermann: Het antwoord op de
vraag of in het licht van dit eventuele winstpotentieel en de
voorgestelde kosten voor investeringen en afschrijvingen, een
kostendekkende exploitatie mogelijk is, kan hier niet gegeven worden
omdat er te weinig duidelijkheid heerst over de financiering en de
financieringskosten net zo min als over de opbrengsten uit het gebruik
van de luchthaven door passagiers, vliegtuigmaatschappijen,
verkeersmix, concessionarissen en anderen bestaat, die effectief
gerealiseerd moeten worden.
Op blz. 9 vinden wij: "Bovendien moet het probleem van de
financiering van die investeringen (cfr. ondertunneling Krijgsbaan,
afbraak Fort III, enz.) worden opgelost. We verwijzen hier naar de
voorstelling van de financierings- en privatiseringsmogelijkheden in
het Masterplan voor de internationale luchthaven van Oostende."
In hoofdstuk 5, Potentieel en Prognose onder punt 5.4.3. Algemene
economische aspecten op blz. 115 van het rapport lezen wij:
Toch kan die prognose van het exploitatieresultaat in zoverre
helpen dat aangetoond wordt of met de uitbreiding van de startbaan
naar 2.000 meter en rekening houdende met de verschillende
verkeerssoorten principieel de mogelijkheid bestaat van een
economische levensvatbaarheid van de luchthaven van Antwerpen
resulterend uit het exploitatieproces.
Dat gebeurt onder de volgende voorwaarden:
 | De kosten van de
infrastructuurinvesteringen (afschrijving, rente, enz.) worden
niet toegeschreven aan de luchthavenexploitatie daar het gaat over
overheidsinvesteringen in een verkeersinfrastructuur;
|
 | (..)
|
2.7.2. Wie zal de
optimalisering betalen volgens het studiebureau Ernst & Young?
Indien men rekening
houdt met intresten op de investeringen van de startbaanverlenging
dient men een jaarlijkse afbetaling van BEF 97.000.000 te voorzien in
hoger vermelde berekening. Er zal in dit geval een stijging van
547.212 lijnpassagiers nodig zijn om het cash tekort van BEF
164.000.000 weg te werken. Dit betekent dat het totale aantal
lijnpassagiers dient te stijgen van 204.621 naar 751.833. (blz.62)
Op blz. 8 van de
ontsluitingsnota: met de huidige kennis aangaande
luchtvaarttechnische belemmeringen van de luchthaven Deurne lijkt
echter een privatisering zonder mogelijkheid tot startbaanverlenging
enerzijds weinig zinvol te zijn, tenzij men een private uitbater als
een meer valabele exploitant zou zien dan de huidige Dienst
Afzonderlijk Beheer, en anderzijds zou het financieel weinig
opbrengen.
2.7.3. Kritische
opmerkingen
|