Aanbeveling over luchtvaart en luchthavenbeleid
Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen
(SERV) russel, 10 mei 2000
Korte schets van de bestaande luchtvaartinfrastructuur en de
prestaties
Regionale luchthavens
De luchthaven van Deurne is vooral een passagiers- en
zakenluchthaven (met aandacht en faciliteiten voor opleiding)
en heeft een vrij grote catchment area, maar ligt wél
in de onmiddellijke nabijheid van Zaventem (ca 35 km), hetgeen
als een beperking kan worden beschouwd om zich internationaal
te positioneren. Er zijn in tegenstelling tot Zaventem en
Oostende evenwel geen nachtvluchten, zodat de omgevingshinder
bijgevolg ook minder is dan rond de andere luchthavens. Door
de situering van de luchthaven dicht bij de stedelijke kern is
de ontwikkeling van de luchthaven beperkt tot het regionaal
niveau. De ontwikkelingsmogelijkheden worden ook beperkt door
de (te beperkte) lengte van de startbaan (1510 m) en
hindernissen op het vlak van de ruimtelijke ordening (bijv.
problematiek van de Krijgsbaan). Een hoogwaardige
ontsluitingsfunctie naar het stedelijk gebied Antwerpen en
naar de overige stedelijke gebieden in Vlaanderen ontbreekt
grotendeels.
Ruimtelijke en functionele versnippering van het luchtvaartbeleid
Door het protocol van 27/11/1990 verkreeg de Vlaamse Gemeenschap de
volledige autonomie op het vlak van exploitatie (zowel
technisch als commercieel) van de regionale luchthavens Deurne
en Oostende. Sinds 1992 hebben de regionale luchthavens het
statuut van Dienst met Afzonderlijk Beheer (DAB) met een
zekere mate van autonomie en een eigen commercieel beleid.
Algemeen
De federale overheid is bevoegd voor het vastleggen van de normen,
het verlenen van vergunningen, de veiligheid en de controle.
Meer in het bijzonder staat het Bestuur van de Luchtvaart in
voor het verlenen van vergunningen voor luchthavens,
vliegtuigen, luchtvaartmaatschappijen, vliegroutes en piloten.
Belgocontrol (een autonoom overheidsbedrijf en de opvolger van
de RLW) is verantwoordelijk voor de luchtverkeersleiding en
verzekert aldus de veiligheid van de burgerluchtvaart in het
Belgisch luchtruim.
De federale overheid is ook bevoegd voor het vastleggen van
productnormen en dus ook voor geluidsnormen waar de
vliegtuigen zelf moeten aan voldoen.
Beheer van de luchthavens
Voor de inrichting en het beheer van de publieke luchthavens (met
uitzondering van de luchthaven van Zaventem die onder de
federale bevoegdheid valt en beheerd wordt door BIAC) zijn de
gewestelijke overheden bevoegd. Er moet wel overleg zijn met
de federale overheid voor het vastleggen van minimale
technische normen rond veiligheid bij de aanleg en het
onderhoud.
Ruimtelijke ordening, milieu en infrastructuur
De gewesten zijn bevoegd voor de domeinen ruimtelijke ordening,
wegeninfrastructuur en milieu. Zo kunnen zij bijv. op hun
grondgebied maatregelen treffen tegen luchtverontreiniging,
geluidshinder en hinderlijke bedrijven in het algemeen. Zo
behoren de gevolgen van de luchthaven van Zaventem voor het
milieu, de ruimtelijke ordening en de werkgelegenheid tot de
bevoegdheid van het Vlaams gewest.
Waar staat men vandaag
Ruimtelijke ordening
Door het jarenlang ontbreken van een doordacht ruimtelijk
ordeningsbeleid en het ontbreken van de link tussen ruimtelijk
beleid en mobiliteitsbeleid wordt momenteel een belangrijk
deel van de omwonenden rond de luchthavens geconfronteerd met
de overlast en de negatieve gevolgen die luchthavens ook met
zich meebrengen. De huidige overlast heeft m.a.w. ook te maken
met het ontbreken van een link tussen luchtvaartbeleid en
ruimtelijke ordeningsbeleid in het verleden. Luchthavens
konden immers niet afgezonderd worden van steden, dorpen,
verkavelingen, recreatiezones en natuurgebieden. Momenteel
zijn er geen maatregelen die voor de nodige ombuiging kunnen
zorgen. De belangrijkste kapstok die Vlaanderen op dit vlak
heeft is het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, maar ondanks
de verdiensten van dit plan ontbreken nog de
uitvoeringsplannen bij de bindende bepalingen, waardoor de
strategische visie die in het Structuurplan wordt uitgetekend
niet vertaald wordt naar concrete strategische maatregelen. Zo
zijn het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel en de
grootstedelijke gebieden Antwerpen en Gent in het RSV
afgebakend, maar ontbreken de noodzakelijke uitvoeringsplannen
om de afbakening hard te maken.
Exploitatie
Voor wat de exploitatie van de (Vlaamse) luchthavens betreft is er
sinds 1990 (met het zogenaamde plan Sauwens) in feite geen
totaalplan voor de luchthavens in Vlaanderen meer geweest. Dat
plan had de bedoeling om de regionale luchthavens van Deurne
en Oostende tegen eind 1995 uit de rode cijfers te halen. De
verwachtingen werden niet ingelost. De recente politiek van de
Vlaamse regering ten aanzien van de exploitatie van de
regionale luchthavens was het scheppen van voorwaarden om de
private sector te interesseren voor de verdere uitbouw van de
luchthavens en de op gang gebrachte dynamiek in de
luchthavenontwikkelingen te versterken. Dit moest gebeuren via
het verlenen van investerings- en exploitatieconcessies. Het
masterplan van het Duits studiebureau Spiekermann is de
toetssteen voor de toekomstige investeringsprojecten van de
regionale luchthavens.
De piste van het verlenen van concessies is sinds kort evenwel
verlaten. Eind februari 2000 heeft de Vlaamse regering
geopteerd voor een nieuwe formule m.b.t. het beheer en de
exploitatie van de regionale luchthavens Deurne en Oostende.
Wat zijn de belangrijkste elementen van deze nieuwe strategie?
Met deze
beleidsmaatregelen ten aanzien van de regionale luchthavens
wordt aangetoond dat de luchtvaart- en luchthavenproblematiek
(terug) op de politieke agenda staat. Doch een echte aanzet
tot de ontwikkeling van een gestructureerd en strategisch
(lange termijn) luchthavenbeleid is dit niet. Daarvoor zijn de
doelstellingen en vooropgestelde maatregelen te vaag. Er
kunnen dan ook een aantal kritische vragen worden gesteld ten
aanzien van het recente beleidsplan.
Zo bevat de nieuwe
regeling geen echt toekomstperspectief, noch naar strategische
doelstellingen, noch naar rendabiliteit, noch naar de
toekomstige rol van de overheid in de exploitatie van de
regionale luchthavens, noch naar de relatie met andere
domeinen zoals mobiliteit, ruimtelijke ordening en milieu. Wat
gebeurt er als de periode van vijf jaar waarbinnen de managers
actief zijn, is verstreken? Wat is de verhouding tussen de
managers en de huidige beheerders en
luchthavenverantwoordelijken? Hoe zullen de managers
functioneren binnen het kader van de regionale luchthavens als
Diensten met Afzonderlijk Beheer (DAB)? Waar en hoe zullen de
managers worden gerecruteerd? Voor welke beheersformule zal
worden gekozen indien blijkt dat geen privé-partners kunnen
aangetrokken worden om toe te treden tot de exploitatie van de
luchthavens? Zal de overheid na de periode van vijf jaar
blijven voorzien in exploitatie- en investeringsdotaties? Dit
zijn fundamentele vragen waarop de recente beleidsbeslissing
geen eenduidig antwoord biedt.
PRINCIPIËLE
UITGANGSPUNTEN
De SERV meent dat
Vlaanderen zich, met het oog op de ontwikkeling van een
strategisch luchtvaart- en luchthavenbeleid, duidelijk moet
positioneren en profileren ten aanzien van de verschillende
aspecten die aan de luchtvaart- en luchthavenproblematiek
kunnen gerelateerd worden.
Voor die verschillende
domeinen zoals ruimtelijke ordening, ontsluiting, milieu,
economie, exploitatie, werkgelegenheid, enz.. moeten eerst en
vooral duidelijke strategische opties en doelstellingen worden
vastgelegd en moeten de strategieën worden bepaald om deze
doelstellingen te realiseren. Een profilering van het beleid
is derhalve noodzakelijk, onder meer t.a.v. de invulling van
de gewenste balans tussen economie en milieu, t.a.v. de
relatie tussen overheid en luchtvaartsector, t.a.v. de
multimodale ontsluiting, enz… Uiteindelijk komt het er op
aan de gemaakte keuzes dan ook effectief te operationaliseren
binnen het kader van een geïntegreerd beleid en in het licht
van een duurzame ontwikkeling. Let wel, de keuzes mogen niet
los gezien worden van elkaar, vermits ze elk op zich een
wezenlijk onderdeel moeten zijn van een globaal en geïntegreerd
beleid.
Dit hoofdstuk geeft de
domeinen aan die volgens de SERV in een globaal beleid zeker
aan bod moeten komen en waarvoor een duidelijke profilering
dan ook absoluut noodzakelijk is.
Wat zijn de
belangrijkste motieven voor een strategisch beleid ?
Door de
internationalisering en de liberalisering van de economie
neemt de concurrentie tussen steden en regio’s alsmaar toe.
Luchthavens zijn of worden ongetwijfeld een belangrijke factor
in die concurrentiestrijd. Een goede internationale
bereikbaarheid en een gunstig vestigingsklimaat dragen bij aan
het succes ervan. Luchthavens bieden mogelijkheden voor
internationaal vervoer, hebben de potentialiteiten om een
aantrekkelijke vestigingsplaats te zijn en ze kunnen via een
groeipoolwerking ook een positieve sociaal-economische invloed
uitoefenen op de regio. De aantrekkelijkheid van een
luchthaven wordt ook mee bepaald door de mogelijkheid tot
aansluiting op andere modaliteiten. Een hoogwaardig
multimodaal knooppunt heeft een uitstralingseffect op de regio
en zorgt op zijn beurt ook voor een verbeterd
vestigingsklimaat.
Door zijn centrale
ligging en zijn goed uitgebouwde verkeers- en
vervoersinfrastructuur heeft Vlaanderen de potentialiteiten om
een attractiepool te zijn voor diensten en bedrijven die
actief zijn in logistieke ketens. Bovendien zorgt dat op zijn
beurt voor allerlei samenhangende activiteiten in industrie en
dienstverlening.
Luchthavens hebben een
belangrijke sociaal-economische impact en beïnvloeden op dit
vlak ook de regio waar ze gevestigd zijn. Ze zijn een
aantrekkingspool voor economische bedrijvigheid, waaronder tal
van hoogtechnologische bedrijven. Luchthaven-gerelateerde
bedrijvigheid leidt in de regio tot directe en indirecte
werkgelegenheid (van zowel laag- als hooggeschoolden), tot
productie en tot een grotere vraag naar bedrijfsterreinen. Er
kunnen drie soorten luchthaven-gerelateerde bedrijvigheid
worden onderscheiden. Ten eerste zijn er de luchthavengebonden
bedrijven. Dit zijn o.m. afhandeling en onderhoud van de
vliegtuigen, horeca, douane, hotels. Ten tweede zijn er de
luchthaven-gebruikende bedrijven. Tot deze categorie behoren
o.m. de distributiecentra, expediteurs en internationale
zakelijke dienstverleners. En ten slotte zijn er de
luchthavengevoelige bedrijven, die incidenteel gebruikmaken
van luchtvervoer of worden aangetrokken door de internationale
uitstraling van de regio. De luchthaven is ook een
attractiepool voor bedrijven die actief zijn binnen "just
in time" – concepten (bijv. m.b.t. tijdskritische
goederen zoals bloemen, chemische producten, farmaceutische
producten) of die (hoogtechnologische) goederen met grote
toegevoegde waarde (zoals computerchips) assembleren.
Een schatting van de
sociaal-economische betekenis van de luchthaven van Zaventem
en de regionale luchthavens geeft de volgende resultaten :
De directe
werkgelegenheid op Zaventem bedraagt in 1998 : 25.753
werknemers.
De totale
werkgelegenheid (directe + indirecte werkgelegenheid), dus met
zowel voorwaartse als achterwaartse bindingen, komt ongeveer
overeen met de directe werkgelegenheid x2, dus ruim 50.000
werknemers.
De directe toegevoegde
waarde wordt geschat op 44,2 miljard BEF. De indirecte
toegevoegde waarde kan worden geschat op ca. 32 miljard BEF.
Qua toegevoegde waarde
bekleedt Zaventem met de havens van Antwerpen (met een directe
toegevoegde waarde van 251,5 miljard) en Gent (directe
toegevoegde waarde van 85,5 miljard) een economische
koppositie.
Onderzoek heeft
uitgewezen dat een verdere gestage uitbouw van de luchthaven
als "gateway" voor intercontinentale vluchten,
tezamen met een verdere ontwikkeling ervan als Europese hub,
zou leiden tot een systematisch sterkere groei van het aantal
passagiers en van het vrachtverkeer. Dit zou op zijn beurt
resulteren in een verdubbeling van de directe werkgelegenheid
in 2010. Een dergelijke uitbouw vraagt evenwel verregaande
inspanningen van de verschillende betrokken partijen
(luchthavenautoriteiten, de luchtvaartmaatschappijen, de
overheid,…) en op het vlak van infrastructuur.
Voor Oostende bedraagt
de werkgelegenheid in 1998 ca. 593, waarvan 112 werknemers
tewerkgesteld door de luchthavenexploitant.
De werkgelegenheid in
de luchthavenzone van Deurne bedraagt in 1998
ca. 450 werknemers. De luchthavenexploitant stelt 66
personeelsleden tewerk. Eind 1998 waren op de luchthaven 56
bedrijven en verenigingen actief.
In vergelijking met
Zaventem (en ook met een aantal andere regionale luchthavens
in het buitenland en in Wallonië) zijn de prestaties en de
sociaal-economische impact van de Vlaamse regionale
luchthavens echter eerder bescheiden. Uiteraard is de dimensie
van Zaventem zowel kwantitatief als kwalitatief van een totaal
andere orde dan die van de regionale luchthavens, en bijgevolg
moeilijk te vergelijken. De impact van de regionale
luchthavens als motors van de (regionale) economie moet echter
enigszins gerelativeerd worden. Dat blijkt uit de volgende
cijfers :
Evolutie van het aantal
passagiers, bewegingen en vrachtvervoer
|
passagiers
|
1990
|
1993
|
1996
|
1999
|
|
Zaventem
|
8.549.423
|
10.233.087
|
13.551.082
|
19.961.615
|
|
Deurne
|
170.082
|
181.419
|
260.966
|
231.113
|
|
Oostende
|
109.607
|
81.902
|
90.474
|
139.333
|
|
Kortrijk
|
105.219
|
112.867
|
114.239
|
112.455 (1998)
|
|
Luik
|
76.178
|
18.562
|
108.126
|
212.794
|
|
Charleroi
|
40.664
|
70.791
|
86.724
|
235.949
|
|
bewegingen
|
1990
|
1993
|
1996
|
1999
|
|
Zaventem
|
192.968
|
210.880
|
263.854
|
312.604
|
|
Deurne
|
68.436
|
65.590
|
57.625
|
74.370
|
|
Oostende
|
48.939
|
34.858
|
36.400
|
45.000
|
|
Kortrijk
|
53.281
|
57.669
|
55.971
|
55.496
|
|
Luik
|
32.703
|
18.014
|
20.331
|
34.750
|
|
Charleroi
|
49.231
|
79.962
|
77.199
|
60.305
|
|
Cargo (ton)
|
1990
|
1993
|
1996
|
1999
|
|
Zaventem
|
285.546
|
320.632
|
464.278
|
650.369
|
|
Deurne
|
154
|
1.300
|
10.805
|
7.269
|
|
Oostende
|
47.521
|
42.576
|
91.768
|
107.985
|
|
Luik
|
137
|
314
|
7879
|
207.629
|
|
Charleroi
|
n.b
|
|
|
|
Profilering ten aanzien
van de algemene en de toekomstige ontwikkeling van de
luchtvaart
Uitbreiding van
luchthavencapaciteit kan bijvoorbeeld d.m.v. uitbreiding van
de bestaande locaties, aanleggen van volledig nieuwe
luchthaveninfrastructuur, het dubbel gebruik van militaire
luchthavens of de uitbouw van multi airport systemen (MAS) via
de ontwikkeling van een tweede satellietluchthaven
Gelet op de eerder
beperkte rol, de huidige capaciteit en infrastructuur van de
regionale luchthavens, is het weinig waarschijnlijk dat zij
optimaal zullen kunnen functioneren in een MAS. Daarnaast
prefereren de dominante carriers vooralsnog concentratie boven
uitsplitsing van hun dienstenpakket over verschillende
luchthavens. De kans dat de regionale luchthavens in een MAS,
in combinatie met Zaventem een rol van betekenis kunnen spelen
is bijgevolg klein.
Kiezen voor handhaving
van de huidige capaciteitsgrenzen in een klimaat van groei van
de luchtvaart zal beleidsmaatregelen noodzakelijk maken om de
beschikbare capaciteit ten volle te benutten en de groei te
beheersen. Mogelijke maatregelen in deze optiek zijn
maatregelen die de vraag beïnvloeden (bijv. tarievenbeleid
gedifferentieerd naar geluidsproductie en gedifferentieerd
naar dag en nacht, beperking van korteafstandsvluchten door
substitutie naar het spoor,..) of het opstellen van criteria
en prioriteiten om de groei binnen vooropgestelde geluidszones
te handhaven.
Profilering ten aanzien
van de rol van de luchthavens in hun ruimtelijke en
sociaal-economische context
Het gaat hierbij vooral
om het vinden van de juiste balans tussen enerzijds het
stimuleren van de mogelijkheden voor de ontwikkeling van
zogenaamde "spin off" bedrijvigheden rond de
luchthavens (omwille van de sociaal-economische motieven) en
anderzijds de relatie tussen deze economische ontwikkeling en
de ruimtelijke context.
De krachtlijnen voor de
ruimtelijke ontwikkelingen in Vlaanderen zijn vastgelegd in
het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Doch de nodige
uitvoeringsplannen bij de bindende bepalingen ontbreken
momenteel.
Profilering ten aanzien
van de multimodale afstemming en de ontsluitingsproblematiek
van de luchthavens
In deze context kunnen
ook de potentialiteiten van de HST nader bekeken en overwogen
worden. Onderzoek heeft uitgewezen dat de HST vooral een rol
zal spelen voor reizen die maximum 3 à 4 uur in beslag nemen.
Met de HST is dus een
mogelijk toekomstig alternatief ontwikkeld voor het
vliegverkeer op welbepaalde korte routes in Europa. De
toenemende congestie in het luchtruim is hierbij een
bijkomende troef. Anderzijds creëert een substitutie van
luchtverkeer naar spoorverkeer mogelijkheden voor de
luchtvaartmaatschappijen om verlieslatende korte
afstandsvluchten naar het spoor over te hevelen en aldus
ruimte te maken voor langere afstandsverkeer. Samenwerking
tussen luchtvaartmaatschappijen en spoorwegexploitanten kan
bijgevolg tot een win-win situatie leiden.
Profilering ten aanzien
van de omgevingsproblematiek
Aan de luchtvaart zijn
naast de positieve effecten (zoals de impact op de economie en
de tewerkstelling) ook negatieve effecten verbonden in de vorm
van luchtverontreiniging, geluidshinder,
veiligheidsrisico’s, geurhinder, energieverbruik en
ruimtebeslag.
In een vliegveldsysteem
worden talrijke verontreinigende stoffen uitgestoten ten
gevolge van het verbranden van fossiele brandstoffen
(stikstofoxiden, kooldioxide, koolmonoxide, vluchtige
organische verbindingen, zwaveldioxide, enz.). Deze
verontreinigende stoffen komen niet enkel van de vliegtuigen,
maar van het volledige vliegveldsysteem : opstijgende,
landende en taxiënde vliegtuigen, wegverkeer van en naar het
vliegveld, wegverkeer in de omgeving van het vliegveld,
grondverkeer op het vliegveld, verbrandingsketels, industrieën
op of in de omgeving van het vliegveld, enz. Indien de groei
van het luchtverkeer zich blijft doorzetten aan het huidige
tempo, zal het naast lokale milieu-effecten ook meer en meer
een rol gaan spelen in de globale luchtvervuiling.
Door het ontbreken van
een doordacht ruimtelijk ordeningsbeleid in het verleden zijn
de luchthavens ingeplant in stedelijke gebieden, en woonkernen
werden ingeplant in de nabijheid van luchthavens. Een gevolg
hiervan is dat een groot aantal omwonenden hinder ondervindt
van deze negatieve effecten.
In deze context zijn
geluidshinder en geurhinder één van de belangrijkste
problemen voor de omwonenden. De neveneffecten van de enorme
luchtvaartontwikkeling zijn een gezondheidsprobleem geworden
en beïnvloeden het functioneren van de omwonenden (zij die
hinder ondervinden van deze neveneffecten). Tevens kan worden
vastgesteld dat technologische vooruitgang op het vlak van
schonere motoren of geluidsproductie, wordt geneutraliseerd
door de algemene toename van het luchtverkeer.
Een omgevingsbeleid kan
zowel kwantitatief als kwalitatief van aard zijn. Enerzijds
zou men kunnen opteren voor het beperken van het aantal
vluchten of van de vluchten die de grootste negatieve impact
hebben op de omgevingskwaliteit. Anderzijds zou men kunnen
opteren voor een beleid dat erop gericht is de technologische
mogelijkheden voor het inperken van de negatieve invloed van
het luchtverkeer zoveel mogelijk te benutten en verder te
ontwikkelen. Ook een combinatie van beide benaderingen is
mogelijk. Het beleid zal ook hier dus duidelijke keuzes moeten
maken en naar de juiste evenwichten moeten zoeken in het kader
van een duurzame ontwikkeling.
Profilering ten aanzien
van de exploitatie van de luchthavens, de rol van de overheid
en de financiering van infrastructuurprojecten.
De rol van de overheid
in het luchtvaart – en luchthavenbeleid moet duidelijk
worden bepaald. Opteert men voor een ontvlechting van de
bevoegdheden van de overheid en de luchtvaartsector, waarbij
de rol van de overheid zich zoveel mogelijk beperkt tot het
stellen van publieke randvoorwaarden en het houden van
toezicht daarop, en waarbinnen de partijen in de
luchtvaartsector ruimte krijgen voor eigen bedrijfsvoering. Of
wordt gekozen voor een meer ingrijpende en sturende rol van de
overheid waarbij de overheid sterk vervlochten blijft met het
beleid en de exploitatie van de luchthavens.
In de recente
beslissing van de Vlaamse regering worden de mogelijkheden
voor het in concessie geven van de regionale luchthavens
minstens voor vijf jaar stopgezet. Het is momenteel nog niet
duidelijk of de nieuwe formule een goed kader aanreikt om de
ontplooiingskansen van de regionale luchthavens te
optimaliseren en de regionale luchthavens te wapenen tegen de
bedreigingen als gevolg van de turbulenties in de
internationale luchtvaart.
In Wallonië worden
vanuit de overheid veel meer middelen ter beschikking gesteld
ten behoeve van de regionale luchthavens dan in Vlaanderen. De
ontwikkeling van deze luchthavens binnen het kader van een
multimodale vervoerscorridor is de laatste jaren een absoluut
speerpunt in het Waals vervoersbeleid geworden. Onderstaande
begrotingscijfers illustreren deze vaststelling.
Begrotingskredieten
regionale luchthavens (vastleggingskredieten)
|
Miljoen BEF
|
1997
|
1998
|
1999
|
2000
|
|
Vlaanderen
|
343,9
|
394,3
|
304,5
|
334,4
|
|
Wallonië
|
535,2
|
773,1
|
1117,7
|
1780,2
|
De
vastleggingskredieten geven een aanduiding van het geplande
beleid voor de verschillende jaren. Opvallend zijn de enorme
verschillen van de totale overheidsinspanningen t.b.v. de
luchthavens in Wallonië en in Vlaanderen. De inspanningen
zijn beduidend groter in Wallonië.
De aanpak in Wallonië
is trouwens niet zomaar transponeerbaar naar Vlaanderen. De
globale economische context en de vervoersproblematiek zijn
immers verschillend in Vlaanderen en Wallonië. Binnen deze
verschillende economische kaders zullen de regio’s hun eigen
accenten leggen. Vlaanderen heeft op het vlak van luchtvaart
en ten aanzien van zijn regionale luchthavens immers zijn
eigen opportuniteiten. Het Vlaams luchtvaartbeleid moet dan
ook uitgaan van deze opportuniteiten en moet er ook op worden
afgestemd.
AANBEVELINGEN
Over het algemeen
luchtvaart- en luchthavenbeleid
Een globaal strategisch
en geïntegreerd luchthavenbeleid is dringend noodzakelijk om
het potentieel van de luchthavens in Vlaanderen optimaal te
benutten en het beleid van de diverse overheidsniveaus beter
op elkaar af te stemmen.
Mogelijke
beleidsconcurrentie tussen de verschillende
bevoegdheidsniveaus moet echter worden vermeden. Daarom dient
er o.m. een zo groot mogelijke afstemming te zijn van de
milieumaatregelen tussen de Europese overheid, de gewesten, de
provincies en de federale overheid.
Over een aantal
ondersteunende instrumenten
In het verlengde van
een strategisch lange termijnbeleid stelt de SERV ook een
aantal ondersteunende en omkaderende initiatieven voor die als
noodzakelijk worden beschouwd voor het optimaal functioneren
van dergelijk beleid.
Ondersteuning door de
oprichting van een overlegstructuur
In het licht van een geïntegreerd
en strategisch luchtvaartbeleid is overleg absoluut
noodzakelijk. Er moet een forum worden gecreëerd waar
voorbereiding, technische ondersteuning en opvolging van het
beleid mogelijk zijn. Momenteel bestaat dergelijk platform
niet.
Ondersteuning door
voldoende wetenschappelijke analyse
De SERV dringt aan op
een jaarlijkse vergelijkbare analyse van de sociaal -
economische impact van de luchthavens in Vlaanderen.
Dergelijke analyse kan best worden uitgevoerd door de
Nationale Bank van België, aangezien deze instelling in het
verleden hiervoor reeds de nodige know how heeft opgebouwd
Grondig onderzoek naar
de complementariteit tussen de zeehavens en de luchthavens is
bijgevolg aangewezen
Over het beheer van de
regionale luchthavens en de rol van de overheid
De recente beslissing
van de Vlaamse regering zet de procedures tot het in concessie
geven van de regionale luchthavens stop en stelt voor vijf
jaar een manager aan die verantwoordelijk wordt voor de
exploitatie-enveloppe en de investeringsenveloppe. Hij kan ook
privé-partners aantrekken om de uitbating van de luchthavens
mee te optimaliseren en te rentabiliseren.
Door de vaagheid van
deze beslissing en het gebrek aan duidelijke doelstellingen
naar de toekomst toe, kan worden getwijfeld aan het succes van
deze formule. Er moet duidelijkheid komen over de rol van de
overheid bij het beheer en de exploitatie van de regionale
luchthavens.
De SERV is van oordeel
dat men ten aanzien van de regionale luchthavens geleidelijk
moet evolueren naar een verdere verzelfstandiging van de
luchthavenexploitatie. Dit impliceert dat op termijn de
luchthavenexploitatie in Vlaanderen zelfbedruipend moet
worden. Deze evolutie moet - ongeacht het statuut van de
exploitatievorm - gepaard gaan met een aantal stringente
voorwaarden in het kader van een duurzame ontwikkeling. In die
omstandigheden is het terugtreden van de overheid uit de
exploitatie niet uitgesloten, op voorwaarde dat de overheid
over de aanwending van de beschikbaar gestelde infrastructuur
en terreinen voldoende garanties vastlegt.
De rol van de overheid
blijft echter fundamenteel:
De voorwaarden voor een
duurzame ontwikkeling moeten zodanig worden bepaald dat er een
evenwicht wordt bereikt tussen economische groei,
werkgelegenheid, leefbaarheid, veiligheid, sociale vooruitgang
en ecologie. Dan pas kan er sprake zijn van een duurzame
ontwikkeling. Bij de verhuur/verkoop van gronden rondom de
luchthaven zou ook prioritair aandacht besteed moeten worden
aan het maximaliseren van de luchthavengebonden activiteiten.
Een doordacht toewijzingsbeleid is daarom noodzakelijk.
Intense samenwerking
tussen de luchthavens en de overheden blijft noodzakelijk en
zal één van de kritische succesfactoren zijn van het
strategisch beleid en de optimalisatie van de luchthavens
Over de
omgevingsproblematiek
De SERV pleit voor het
opleggen van een meetbaar en afdwingbaar normenstelsel dat
beperkingen oplegt aan de impact van het luchtverkeer op de
omgevingskwaliteit (emissienormen) en de veiligheid. De
overheid moet deze normen opleggen aan de
luchthavenexploitanten, ongeacht het statuut van de
exploitatievorm.
Beperking van het
luchtverkeer zelf, onder de vorm van grenzen aan het aantal
passagiers of vliegtuigbewegingen, is volgens de SERV geen
efficiënte aanpak. Daarom wordt geopteerd voor het invoeren
van normen die de omgevingskwaliteit moeten garanderen
(emissienormen, veiligheidsnormen) en die objectief meetbaar
en afdwingbaar zijn.
Binnen deze normen zijn
het aantal passagiers of vliegbewegingen op zich niet meer
relevant, wèl de omvang en het tempo van de groei van de
luchtvaart binnen de vastgelegde grenzen. De luchtvaartsector
is er op die manier zelf verantwoordelijk voor dat de grenzen
van het normenstelsel niet worden overschreden. De
luchthavenexploitanten moeten over de mogelijkheid beschikken
om binnen deze normen het luchtverkeer te blijven organiseren.
Door technologische ontwikkelingen (bijvoorbeeld stillere
vliegtuigen) en verbetering van de procedures (bijv. andere
aanvliegroutes) kunnen omvang en groei van de luchtvaart
binnen deze grenzen mee bepaald worden. Dit systeem leidt tot
meer duidelijkheid voor omwonenden, werknemers,
luchthavenexploitanten en gebruikers, alsook tot de
mogelijkheid om het gevoerde beleid degelijk te toetsen.
Binnen deze context is
de SERV ook voorstander van een monitoringsysteem om tijdig te
kunnen signaleren of de toename van het vliegverkeer negatieve
gezondheidseffecten heeft op de omwonenden.
Bij de uitwerking van
het normenstelsel dient de overheid ook rekening te houden met
de volgende elementen:
Oplossingen zullen
zowel internationaal als nationaal tot stand moeten komen.
Recent werden op federaal niveau een aantal maatregelen en
normen vastgelegd om de geluidsproblematiek van de luchthaven
van Zaventem aan te pakken. De SERV juicht toe dat stappen
worden gezet om de geluidsproblematiek eindelijk beleidsmatig
aan te pakken. Echter ook op internationaal niveau dringen
zich een aantal maatregelen op zoals bijvoorbeeld de invoering
van de kerosinetaks.
Geluidsnormen moeten in
de eerste plaats worden afgestemd op de Europese normering
Het Europese kader
biedt immers voldoende garanties in het licht van een duurzame
ontwikkeling, waarbij voor een beleid wordt geopteerd dat het
meest bijdraagt tot economische groei én sociale vooruitgang
én het behoud van het ecologisch evenwicht.
Een flankerend beleid
ten aanzien van geluidshinder vereist eveneens voldoende
financiële middelen. Zo kan de luchtvaartsector mee bijdragen
voor de financiering van de isolatieprogramma’s.
Het geluidsprobleem is
echter niet uitsluitend een luchtvaartprobleem. Er zijn nog
tal van andere locaties die te kampen hebben met
geluidsoverlast veroorzaakt door andere geluidsbronnen dan de
luchtvaart.
De geluidsproblematiek
op en rond de luchthavens moet ingeschakeld worden in een
globale aanpak van de geluidshinder
Om de problemen en de
klachten van de omwonenden goed te detecteren en te
kanaliseren wordt ervoor gepleit dat de luchthavenexploitant
een goed netwerk van contacten opbouwt met de omwonenden. Dit
is een opdracht die de luchthavenexploitant voor zijn rekening
moet nemen.
Over de multimodale
afstemming en ontsluiting van de luchthavens
Met het oog op een
goede ontsluiting van de internationale luchthaven van
Zaventem aan de landzijde, moet ernaar gestreefd worden dat
minimum 40% van de gebruikers van de luchthaven, voor hun
vervoer van en naar de luchthaven, beroep doen op het
gemeenschappelijk of openbaar vervoer
Over de afstemming van
de bevoegdheden inzake luchtvaartbeleid
Zolang de
bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de
regionale overheden bestaat, moet ze ten volle gerespecteerd
worden
De SERV is van oordeel
dat overleg en afstemming tussen de verschillende overheden
over luchthavenmateries en aanverwante domeinen zoals bijv.
mobiliteit, evenwel noodzakelijk is. Doch de bevoegdheden van
de gewesten terzake mogen niet worden aangetast.
Over de algemene rol
van de verschillende luchthavens
De SERV is van oordeel
dat de rol en de specifieke functie(s) van de verschillende
luchthavens duidelijk moet worden vastgelegd
Regionale luchthavens
Ten aanzien van
Zaventem spelen de regionale luchthavens een eerder beperkte
rol. Over de toekomstige rol en de functie van de regionale
luchthavens zullen dan ook specifieke keuzes moeten worden
gemaakt. De SERV dringt aan op een integraal beleid voor de
regionale luchthavens op korte termijn. Enerzijds om te
vermijden dat de luchthavens onvoldoende basis hebben om nog
economisch rendabel te zijn, anderzijds om de potentialiteiten
ervan zo optimaal mogelijk te kunnen ontwikkelen. De Vlaamse
regionale luchthavens hebben momenteel elk hun eigen
marktniche, met hun eigen potentialiteiten en beperkingen. Zij
kenden de laatste jaren een eerder gematigde groei. In die zin
vormen de regionale luchthavens quasi geen concurrentie met
van de luchthaven van Zaventem. Zij hebben immers te weinig
potentieel aan passagiers uit hun hinterland om een groot
netwerk aan lijnvluchten uit te bouwen.
De regionale rol van de
luchthavens van Deurne en Oostende moet erkend worden. Deze
rol moet in het licht daarvan gevaloriseerd en geoptimaliseerd
worden door de ontwikkeling van een focusstrategie, gericht op
de ontplooiing van activiteiten in welbepaalde niches zoals
zakenverkeer, vrachtverkeer of charterbestemmingen
Een definitieve
beslissing over een mogelijke inzet van overheidsmiddelen voor
de infrastructurele uitbouw van de afzonderlijke luchthavens
moet afhankelijk gesteld worden van een
kosten/baten–analyse, waar zowel de (directe en indirecte)
kosten en baten voor de privé-sector als voor de gemeenschap
moeten in rekening worden genomen
Over de luchthavens
afzonderlijk
De luchthaven van
Zaventem
De luchthaven van
Oostende
De luchthaven van
Deurne
De luchthaven van
Deurne heeft zijn plaats in landschap van de regionale
luchthavens.
De activiteiten van de
luchthaven van Deurne moeten zich vooral toespitsen op het
zakenvervoer (general aviation) en intra-Europese
lijnverbindingen.
De SERV is van oordeel
dat de luchthaven over voldoende potentialiteiten beschikt om
deze marktniches verder uit te bouwen en in dat kader zijn
positie te versterken.
In de recente
beslissing van de Vlaamse regering is geopteerd voor het
behoud van de luchthaven via een optimalisering van de
bestaande infrastructuur en wordt de verlenging van de
startbaan derhalve niet voorzien; wél de mogelijke
ondertunneling van de Krijgsbaan, waardoor een optimalisering
van het gebruik van de huidige startbaan in principe mogelijk
wordt en een verbetering van de veiligheid kan worden
gerealiseerd. Er zal een kosten/baten-analyse worden
uitgevoerd voor de optie van de ondertunneling van de
Krijgsbaan.
Ook de SERV is in
principe voorstander van een optimalisering van de bestaande
infrastructuur. Vooralsnog is het nog niet duidelijk wat de
kosten en de baten zijn van de verschillende opties. De
mogelijkheden voor de infrastructurele uitbouw van de
luchthaven mogen niet gehypothekeerd worden. Een definitieve
beslissing over een mogelijke inzet van overheidsmiddelen moet
afhankelijk gesteld worden van een kosten/baten – analyse,
waar zowel de (directe en indirecte) kosten en baten voor de
privé-sector als voor de gemeenschap moeten in rekening
worden genomen.
Over het vrachtvervoer
De SERV is geen
voorstander voor de uitbouw van een nieuwe vrachtluchthaven in
Vlaanderen
Over het belang van
opleiding en training
Er moet onderzocht
worden in hoeverre de regionale en de locale luchthavens
kunnen worden geoptimaliseerd voor de opleiding en de training
van toekomstige piloten
Momenteel moeten de
(hoge) kosten van de opleiding tot piloot in Vlaanderen
gedragen worden door de studenten zelf. Met het oog op een
democratisering van de pilootopleidingen is de SERV
voorstander van een gedeelde financiële verantwoordelijkheid
tussen de overheid, de luchtvaartsector en de student.