12e boek met opmerkingen en informatie
voorgelegd aan het Vlaams Parlement
Vlaamse regionale luchthavens: Financiële analyse en analyse
van de studies en het beleid
Het Rekenhof heeft uit een analyse van
hun financieel-economische evolutie geconcludeerd dat de
Vlaamse regionale luchthavens Antwerpen en Oostende nooit
rendabel zijn geweest. De afhankelijkheid van gewestdotaties
groeit elk jaar. De Vlaamse regering heeft de voorbije tien
jaar diverse studies bevolen ter voorbereiding van een
toekomstbeleid voor de luchthavens. Het Rekenhof heeft
aangetoond dat de regering de resultaten van deze studies niet
optimaal heeft aangewend. Pas na lang aarzelen, waardoor de
onzekerheid over de toekomst van de luchthavens toenam en de
financiële situatie negatief werd beïnvloed, heeft zij
immers een aantal beslissingen genomen zonder rekening te
houden met het eerder verrichte studiewerk. Zij heeft
bovendien haar recente beslissing voor de luchthavens managers
aan te stellen, onvoldoende gemotiveerd. De functioneel
bevoegde afdeling Personenvervoer en Luchthavens wordt nog
nauwelijks bij de voorbereiding van de besluitvorming
betrokken. De Vlaamse Minister van Mobiliteit heeft tot op
heden nog niet op het geactualiseerde rapport van het Rekenhof
gereageerd.
1. Inleiding
Sinds de Vlaamse regering bij de
regionalisering van 1989 de bevoegdheid over de Vlaamse
regionale luchthavens heeft verkregen, is ze op zoek naar
geschikte beleidsopties om de economische leefbaarheid veilig
te stellen. De afgelopen tien jaar heeft zij in dit licht
verscheidene bedrijfseconomische doorlichtingen en
onderzoeksopdrachten bevolen en beleidsintenties
vooropgesteld. In 1992 viel de keuze qua beheersstructuur op
een financiële en boekhoudkundige verzelfstandiging van de
afzonderlijke exploitatiediensten en werden de diensten met
afzonderlijk beheer (DAB) Luchthaven Antwerpen en Luchthaven
Oostende opgericht.
De studies wezen uit dat een verdere
verzelfstandiging en autonomere beheersvorm een betere
bedrijfseconomische en commerciële luchthavenexploitatie
mogelijk zouden maken. In dit kader keurde de Vlaamse regering
op 30 maart 1999 een stappenplan goed, alsook een lastenboek
voor marktconsultatie inzake inconcessiegeving van de
luchthavenexploitaties. Bij gebrek aan geldige inschrijvingen,
schakelde de Vlaamse regering op 3 maart 2000 over op een
procedure om voor elke luchthaven een manager aan te stellen.
Het Rekenhof heeft de
financieel-economische evolutie van de Vlaamse regionale
luchthavens Antwerpen en Oostende geanalyseerd, alsook de
invloed die de talrijke studies over hun toekomstmogelijkheden
op het beleid van de Vlaamse regering hebben gehad. Tevens
ging het na in welke mate de opeenvolgende Vlaamse regeringen
hun doelstelling de rendabiliteit van de luchthavens te
vergroten en de dotatie te verminderen, realiseerden. Ten
slotte evalueerde het de doelmatigheid van de besluitvorming
inzake de Vlaamse luchthavens.
Het Rekenhof heeft zijn bevindingen op 19
oktober 1999 gerapporteerd aan de Vlaamse Minister van
Mobiliteit. Op 15 februari 2000 heeft de minister over dit
rapport enkele algemene bedenkingen en aanvullingen
geformuleerd. Daar zich in de periode tussen het
oorspronkelijk controleverslag en het antwoord van de minister
een aantal nieuwe en belangrijke ontwikkelingen hadden
voorgedaan, heeft het Rekenhof zijn onderzoek geactualiseerd.
Het heeft deze actualisatie op 2 augustus 2000 aan de minister
bezorgd, die daar evenwel nog niet op reageerde. De
onderstaande paragrafen vatten de bevindingen uit beide
rapporten en het antwoord van de minister samen.
2. Financiële analyse van de regionale
luchthavens
2.1. Evolutie van de kredietverlening
Sinds hun oprichting heeft de Vlaamse
Gemeenschap voor de DAB's ten laste van de algemene
uitgavenbegroting al in totaal ongeveer 2,5 miljard BEF
kredieten vastgelegd, deels ter aanzuivering van
exploitatietekorten (voor Antwerpen en Oostende
respectievelijk 200 miljoen BEF en 545,7 miljoen BEF), deels
voor investeringen in luchthaveninfrastructuur (1.037,2
miljoen BEF voor beide luchthavens) en kapitaalsubsidies
(714,7 miljoen BEF voor beide). Sinds 1997 investeren de
luchthavens zelf, waarvoor zij investeringsdotaties
ontvangen468. De krediettoekenning aan beide luchthavens steeg
in de periode 1992-1998 stelselmatig (behoudens een lichte
terugval in 1997). In 1999 vertoonden vastleggings- en
ordonnanceringskredieten een aanzienlijke daling
(respectievelijk 90 en 126 miljoen BEF minder dan in 1998),
vooral wegens een daling van de investeringskredieten.
De onzekere toekomst en status van de
luchthavens leidde in dat jaar immers tot een beperking van de
aankoop van nieuwe vermogensgoederen. De teruglopende
activiteiten van de Antwerpse luchthaven vergde in 1999 wel 8
miljoen BEF extra exploitatiekredieten. In 2000 bereikte de
kredietverlening aan beide luchthavens een voorlopig
hoogtepunt met 449,7 miljoen BEF, deels door de creatie van
een nieuwe basisallocatie met 60 miljoen BEF voor de
financiering van de managementovereenkomsten.
2.2. Evolutie van de financiële
toestand
De DAB-beheersformule diende een duidelijk
inzicht in de inkomsten- en uitgaven-structuur van elke
luchthaven met zich te brengen, en aldus een meer rationele en
commerciële uitbating te stimuleren469. De werkelijke
kostprijs van de exploitatie van de luchthavens ligt echter
hoger dan uit hun rekeningen blijkt. Tot op heden kwamen de
rechtstreekse investeringen van het Vlaams Gewest in
luchthaveninfrastructuur er immers niet in terecht470, evenmin
als de overgedragen goederen van de Regie der Luchtwegen. Ook
de administratieve en beheerskosten gemaakt door de
ondersteunende afdeling Personenvervoer en Luchthavens van het
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap471 bleven buiten de
DAB-rekeningen. Ten slotte levert de Regie der Luchtwegen (nu
Belgocontrol) gratis diensten voor, onder meer,
verkeersleiding en meteo 472.
Deze onvolledigheden in de balansen en
resultatenrekeningen maken het moeilijk een juist inzicht te
krijgen in de werkelijke kostprijs en de financiële
leefbaarheid van de luchthavens. Het Rekenhof heeft desondanks
een financiële analyse uitgevoerd, waarbij het vooral
aandacht had voor kosten, opbrengsten en rendabiliteit 473.
2.2.1. DAB Luchthaven Antwerpen
De onderstaande tabel toont de evolutie van
de exploitatiedotatie, de aëronautische opbrengsten, de
niet-aëronautische opbrengsten en de afschrijvingen (in
miljoen BEF).
|
|
1992
|
1993
|
1994
|
1995
|
1996
|
1997
|
1998
|
1999
|
2000
|
|
Exploitatiedotatie
|
14,5
|
26,0
|
26,8
|
27,3
|
27,6
|
26,0
|
21,8
|
30,0
|
41,2
|
|
Aëronautische opbrengsten
|
26,6
|
34,6
|
41,2
|
43,2
|
46,1
|
46,8
|
43,4
|
45,0
|
|
|
Niet-aëronautische opbrengsten
|
24,7
|
28,3
|
26,4
|
29,5
|
29,3
|
34,2
|
31,7
|
38,7
|
|
|
Afschrijvingen
|
0,0
|
0,2
|
0,9
|
2,8
|
3,5
|
11,0
|
17,0
|
24,6
|
|
Blijkens de opbrengstenzijde van de
resultatenrekening is de exploitatiedotatie gestaag gestegen,
behalve in 1997 en 1998. Ook de aëronautische en niet-aëronautische
opbrengsten stegen tot 1997. De terugval van deze opbrengsten
in 1998 met 7% is te wijten aan verminderde activiteiten
wegens de onzekerheid die al enkele jaren over de toekomst van
de luchthaven bestond. Bij gebrek aan duidelijke signalen
vanwege de overheid, verloor de luchthaven haar
aantrekkelijkheid bij publiek en uitbaters van aanverwante
ondernemingen474. De algemeen toenemende economische
activiteit wist de negatieve evolutie in 1999 om te buigen. De
afschrijvingen zijn sinds 1997 sterk gestegen ingevolge het
gewijzigde financieringssysteem voor de investeringen: de
luchthavens namen voortaan de investeringen in hun balans en
resultatenrekening op475 .
De onderstaande tabel geeft een beeld van
de werkelijke rendabiliteit van de luchthaven, dus abstractie
makend van de gewestdotaties (in miljoen BEF, tenzij anders
vermeld).
|
|
1992
|
1993
|
1994
|
1995
|
1996
|
1997
|
1998
|
1999
|
|
Gecorrigeerde bedrijfsresultaten
|
-19,5
|
-15,3
|
-14,0
|
-9,9
|
-19,2
|
-25,1
|
-39,0
|
-49,7
|
|
Gecorrigeerde gewone bedrijfsuitoefening
|
-19,5
|
-15,3
|
-14,1
|
-9,9
|
-19,3
|
-25,2
|
-39,0
|
-49,7
|
|
Dekkingsgraad476
|
93%
|
114%
|
116%
|
121%
|
109%
|
104%
|
96%
|
98%
|
|
Gecorrigeerde dekkingsgraad
|
73%
|
80%
|
83%
|
88%
|
80%
|
76%
|
66%
|
63%
|
De rendabiliteit is sinds de oprichting van
de DAB sterk negatief. De gecorrigeerde resultaten uit de
gewone bedrijfsuitoefening, alsook de dekkingsgraad en de
gecorrigeerde dekkingsgraad, kenden een gelijkaardig verloop.
De gecorrigeerde dekkingsgraad bedroeg maximaal 88%, wat nog
altijd een aanzienlijk tekort aan eigen opbrengsten betekende.
2.2.2. DAB Luchthaven Oostende
De onderstaande tabel toont de evolutie van
de exploitatiedotatie, de aëronautische opbrengsten, de
niet-aëronautische opbrengsten en de afschrijvingen (in
miljoen BEF).
|
|
1992
|
1993
|
1994
|
1995
|
1996
|
1997
|
1998
|
1999
|
2000
|
|
Exploitatiedotatie
|
62,8
|
67,2
|
69,1
|
70,4
|
71,1
|
78,6
|
62,9
|
63,6
|
61,1
|
|
Aëronautische opbrengsten
|
36,0
|
46,7
|
65,3
|
83,2
|
96,5
|
117,4
|
102,1
|
127,5
|
|
|
Niet-aëronautische opbrengsten
|
22,4
|
24,5
|
23,6
|
30,1
|
35,5
|
42,2
|
43,5
|
49,3
|
|
|
Afschrijvingen
|
0,0
|
0,2
|
0,7
|
2,5
|
4,8
|
17,8
|
32,1
|
67,2
|
|
Blijkens de opbrengstenzijde van de
resultatenrekening steeg de exploitatiedotatie tot 1997. In
1998 daalde zij en nadien bleef ze vrij constant. Tot 1997
stegen ook de aëronautische en niet-aëronautische
opbrengsten. 1998 bracht echter een daling van de aëronautische
opbrengsten met 13% en een lichte stijging van de niet-aëronautische
opbrengsten (3%). Vooral de terugval van het vrachtvervoer met
17% en een lichte daling van het passagiersvervoer (1 %)
veroorzaakten de minderopbrengsten.
In 1999 stegen beide opbrengsten weer
aanzienlijk, vooral dankzij de algemeen toenemende economische
activiteit. De afschrijvingen stegen sinds 1997 sterk door de
overschakeling naar investeringsdotaties. De onderstaande
tabel geeft een beeld van de werkelijke rendabiliteit van de
luchthaven, dus abstractie makend van de gewestdotaties (in
miljoen BEF, tenzij anders vermeld).
|
|
1992
|
1993
|
1994
|
1995
|
1996
|
1997
|
1998
|
1999
|
|
Gecorrigeerde bedrijfsresultaten
|
-59,0
|
-70,5
|
-63,8
|
-55,8
|
-56,7
|
-61,5
|
-77,6
|
-94,9
|
|
Gecorrigeerde gewone bedrijfsuitoefening
|
-59,0
|
-70,5
|
-63,6
|
-55,1
|
-56,2
|
-85,8
|
-122,3
|
-95,3
|
|
Dekkingsgraad
|
103%
|
98%
|
104%
|
109%
|
108%
|
111%
|
103%
|
102%
|
|
Gecorrigeerde dekkingsgraad
|
50%
|
50%
|
59%
|
68%
|
70%
|
65%
|
54%
|
65%
|
De rendabiliteit is sinds de oprichting van
de DAB sterk negatief. De gecorrigeerde resultaten uit de
gewone bedrijfsuitoefening, alsook de dekkingsgraad en de
gecorrigeerde dekkingsgraad, kennen een gelijkaardige
evolutie. De gecorrigeerde dekkingsgraad bereikte in 1996 een
maximum, met name 70%. Dit is nog ruimschoots onvoldoende om
van een rendabele exploitatie te kunnen gewagen.
2.3. Conclusies
De exploitatie van de DAB's Luchthaven
Antwerpen en Luchthaven Oostende is in de periode van 1992 tot
1999 nooit rendabel geweest en de financiële afhankelijkheid
van het Vlaams Gewest is voor deze luchthavens de laatste
jaren sterk toegenomen. Het Rekenhof heeft geconcludeerd dat
beleidsmaatregelen dringend nodig zijn. Voorts is de
doelstelling van de oprichting van de DAB’s, met name een
duidelijk inzicht in de uitgaven- en inkomstenstructuur van
elke luchthaven verwerven, maar gedeeltelijk bereikt. Voor een
volledig inzicht vergen de jaarrekeninggegevens van de DAB’s
aanvulling met de totale waarde van de voor hun exploitatie
ingezette infrastructuur en de afschrijvingskosten ervan,
alsook de kostprijs van de diensten die de afdeling
Personenvervoer en Luchthavens en Belgocontrol voor de
luchthavens verstrekken. Om het Vlaams Parlement een beter
inzicht te geven in de investeringsdotaties voor elke
luchthaven, zou deze dotatie bovendien in de begroting van de
Vlaamse Gemeenschap (programma 63.40) moeten worden
opgesplitst 477.
3. Beleid van de Vlaamse regering in de
periode 1990-2000
De beleidsbrief van 16 mei 1990 van de
Vlaamse Minister van Verkeer478 pleitte voor autonoom
werkende, commerciële regionale luchthavens met een
aangepaste bedrijfseconomische organisatie die tegen 1995 alle
deficits zouden wegwerken. De nieuwe rechtsvorm moest ruimte
vrijmaken voor eventuele beheersdeelname door gemeenten,
intercommunales of de bedrijfswereld. De beleidsbrief kaartte
ook al de problematiek van de startbaanlengte van de Antwerpse
luchthaven en de ondertunneling van de Krijgsbaan voor de
verkeersveiligheid aan.
Het programmadecreet 1992 479 richtte de
diensten met afzonderlijk beheer Luchthaven Antwerpen en
Luchthaven Oostende op, die de luchthavens autonoom moesten
exploiteren, het patrimonium beheren en de
gebruiksvergoedingen innen. De afdeling Personenvervoer en
Luchthavens van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur
bleef de investeringen, de buitengewone onderhoudswerken en
het overkoepelende administratieve overheidsbeheer voor haar
rekening nemen. De nieuwe beheersvorm zou de
beleidsverantwoordelijken een beter inzicht verschaffen in de
inkomsten- en uitgavenstructuur van de luchthavens480 .
In zijn beleidsbrief van 13 november 1995
kondigde de Vlaamse Minister van Vervoer een
langetermijnbeleid aan481, gericht op dotatieafbouw, optimale
aanwending van gedane investeringen en, voor Oostende,
doelgerichte investeringen. Het wegwerken van de deficitaire
toestand en de begrotingslast was geen doelstelling meer.
Antwerpen had op dat ogenblik volgens de minister alle
middelen ter beschikking om op rendabele manier te kunnen
werken.
De periode 1995-1998 leverde geen nieuwe
beleidsopties op. Wel lieten de beleidsverantwoordelijken tal
van studies uitvoeren ter voorbereiding van toekomstige
beleidsopties.
In zijn beleidsbrief Openbare Werken,
Vervoer en Ruimtelijke Ordening-1999 482 stelde de Vlaamse
Minister van Vervoer vast dat de luchthaven Antwerpen niet
zelfbedruipend kon functioneren en een dotatieverhoging in
1999 noodzakelijk was. Voor de Oostendse luchthaven verwees
hij naar een masterplan dat in bijkomende investeringen
voorzag.
Eind 1998 besliste de Vlaamse regering de
exploitatie van beide luchthavens volledig in concessie te
geven. Zij gaf de Participatie Maatschappij Vlaanderen (PMV)
op 30 maart 1999 de opdracht daartoe een offerteaanvraag te
organiseren483. De kandidaat-exploitanten mochten in hun
offerte voor Antwerpen al dan niet kiezen voor
startbaanverlenging484. De inbreng van de kandidaten bij
eventuele investeringen diende minstens de helft van de
kostprijs te bedragen. De offerteaanvraag leverde echter geen
valabele inschrijvingen op485.
In haar regeerakkoord, verklaarde de
huidige Vlaamse regering dat zij het gevoerde
luchthavenbeleid, inclusief de concessieprocedures, zou
voortzetten486. Op 3 maart 2000 besliste de Vlaamse regering
echter de gunningsprocedure voor de concessieverlening stop te
zetten en voor elke luchthaven een manager aan te stellen die
vijf jaar eigenmachtig zou kunnen beschikken over een
exploitatie-enveloppe (voor Antwerpen en Oostende
respectievelijk 145 miljoen BEF en 336 miljoen BEF) en een
investeringsenveloppe (respectievelijk 442 miljoen BEF en 884
miljoen BEF).
Zij droeg de kandidaat-managers op een
milieuplan op te maken om de geluidsoverlast te verminderen en
derden aan te trekken voor de uitbating van de luchthaven. Een
eventuele aanpassing van de beheersformule zou de toetreding
van privé-partners tot de exploitatie mogelijk maken. De
Antwerpse startbaan zou voorts niet worden verlengd.
Ondertunneling van de Krijgsbaan bleef wel mogelijk, te
betalen buiten de beschikbare budgettaire middelen van
Openbare Werken en Vervoer. Ter uitvoering van deze beslissing
kreeg de PMV op 3 april 2000 opdracht een management- of
dienstencontract voor de luchthavenexploitatie op te stellen,
alsook kandidaten op te roepen en te selecteren.
Op 23 juni 2000 keurde de Vlaamse regering
de voorgelegde offerteaanvragen goed, die de kandidaten
ongeveer dezelfde documenten vroegen als de beëindigde
concessieprocedure. De algemene uitgavenbegroting 2000 heeft
daartoe op een nieuwe basisallocatie487 60 miljoen BEF
voorzien (30 miljoen BEF per luchthaven). Daar de
werkingsdotatie al voorziet in de kosten van de huidige
directie, is het niet duidelijk hoe deze supplementaire kosten
van de aan te stellen managers kunnen worden verantwoord. Hun
taken lopen volgens de managementovereenkomst immers voor een
deel samen met die van de huidige directie 488.
4. Leefbaarheidsstudies
In de periode 1989-1991 brachten enkele
algemene studies op vraag van de Vlaamse overheid de
toekomstperspectieven van de Vlaamse luchthavens in kaart. In
september 1991 sloot een eindrapport van een
studiesyndicaat489 deze verkennende studieperiode af.
Uitgangspunt was dat de luchthavens vanaf 1996 financiële
autonomie zouden moeten kunnen bereiken490. Voor de luchthaven
van Oostende werd een conserveringsstrategie met minimale
bezetting geadviseerd, voor deluchthaven van Antwerpen een
meer doorgedreven commerciële aanpak en de oprichting van een
commerciële vennootschap.
Van 1993 tot 2000 werden voor elk van de
luchthavens apart, maar inzonderheid voor de luchthaven van
Antwerpen, nog tal van bijkomende studies uitgevoerd. De
onderstaande paragrafen bieden een overzicht van hun
belangrijkste conclusies.
4.1. Studies voor de luchthaven van
Antwerpen
Voor de luchthaven van Antwerpen werd in
eerste instantie verder onderzoek verricht naar de noodzaak
van een eventuele verdere uitbreiding van de luchthaven
(verlenging van de startbaan tot 2000 m). De Dienst Geregeld
Vervoer concludeerde in zijn Studie uitbreiding Luchthaven
Antwerpen van juli 1993 dat een meer diepgaande studie van een
verlenging van de startbaan zinvol zou zijn, maar waarschuwde
ervoor dat een dergelijke investering een voorafgaand politiek
akkoord en een lange procedurele voorbereiding zou vereisen.
Begin 1996 onderzocht de afdeling
Personenvervoer en Luchthavens de mogelijke privatisering van
de luchthaven van Antwerpen. De studie concludeerde dat een
rendabele exploitatie een verdubbeling van de inkomsten zou
vergen, wat wegens de beperking van de lengte van de
landingsbaan en van de uitbouw van de HST onrealistisch was.
Zij vroeg tevens een wijziging van de beheersformule pas te
laten plaatsvinden na een politieke precisering van de
doelstellingen van en randvoorwaarden voor privatisering. Zo
een dergelijke wijziging zou worden overwogen, suggereerde de
afdeling een exploitatieconcessie, waarbij het Gewest de
infrastructuur inbrengt en daarvoor een vergoeding ontvangt.
De Vlaamse regering droeg de GIMV in
oktober 1996 een aanvullend onderzoek op naar mogelijke
privatiserings- en valoriseringsscenario’s. De GIMV droeg de
opdracht eind april 1997 aan haar dochter PMV over, die de
opdracht op haar beurt doorgaf aan een consultant. In maart
1998 concludeerde deze consultant dat de DAB in een
status-quoscenario zonder twijfel blijvend financiële steun
van het Vlaams Gewest nodig zou hebben om leefbaar te zijn.
Privatisering zou slechts mogelijk zijn mits een significante
stijging van het passagiersaantal, onder meer door een
startbaanverlenging. Een privatiseringsscenario waarbij de
overheid de
infrastructuurinvesteringen zou bekostigen
en de exploitant de onderhoudsinvesteringen, leek de
consultant economisch haalbaar.
De administratie Wegen en Verkeer
bekritiseerde het consultantsrapport in juli 1998491 (491 ),
vooral omdat zij niet bij de totstandkoming ervan werd
betrokken. Hoewel de opdrachtnemers niet met luchtvaart of
luchthavenbeheer vertrouwd waren, wat de kwaliteit van het
studiewerk hypothekeerde, kreeg de administratie niet de
gelegenheid manifeste fouten of technische onjuistheden recht
te zetten. Zij kreeg overigens maar formeel kennis van het
dossier in juni 1998, dat op dat ogenblik al door de media in
de openbaarheid was gebracht.
In juli 1998 stelde een nota aan de Vlaamse
regering492 dat de resultaten van de diverse studies en de
feitelijke ervaring leidden tot de conclusie dat de handhaving
van de status-quo in de toestand en werkvoorwaarden van de
luchthaven, geen verantwoord beleidsscenario uitmaakte. Dit
dreigde immers te leiden tot een permanente neerwaartse
verglijding, wat in vele opzichten zelfs slechter zou zijn dan
de radicale beslissing de luchthaven op korte termijn te
sluiten. De nota onderstreepte andermaal dat
startbaanverlenging vanuit bedrijfseconomisch standpunt het
enige valabele alternatief was om de exploitatieresultaten in
gunstige zin te doen evolueren.
Daarop gelastte de Vlaamse regering de
Vlaamse Minister van Vervoer zijn diensten opdracht te geven
tegen eind oktober 1998 de effecten van zo'n verlenging te
schetsen (te verwachten trafiekstijging en milieueffecten,
gevolgen op de dotatie, enz.).
De minister gaf de opdracht in augustus
1998 aan nieuwe consultant, die medio november 1998 een
feasability study voorlegde. Deze studie merkte op dat de
Vlaamse regering sinds de studie van juli 1993 geen signalen
meer had gegeven over de toekomst van de luchthaven en dat
alle andere studies eenzijdig pro of contra de luchthaven
waren opgesteld, soms met gebrek aan vakkennis over het
luchtverkeer. De studie spoorde aan tot een snelle beslissing
over de strategische alternatieven (uitbreiding, sluiting en
afbraak of status-quo). Sluiting zou zware kosten meebrengen;
startbaanverlenging zou vanaf 2003 een economische exploitatie
mogelijk maken. Een nota aan de Vlaamse regering493 stelde dat
de feasability study meer vragen opriep dan ze beantwoordde en
stelde nieuw onderzoek voor.
Op de beslissing van de Vlaamse regering
van 19 december 1998 volgden begin 1999 onder meer een
mobiliteits- en een milieueffectenrapport voor de mogelijke
verlenging van de startbaan. Deze studies bevatten geen
belangrijke nieuwe gegevens meer die de discussie over het al
dan niet verlengen van de startbaan konden beïnvloeden.
4.2. Studie voor de luchthaven van
Oostende
De consultant die de Antwerpse feasability
study maakte, kreeg ook opdracht een masterplan uit te werken
voor de luchthaven van Oostende. In oktober 1998 beschreef hij
uitgebreid en vrij technisch heden en toekomst van de
luchthaven en concludeerde dat die niet was aangepast aan de
micro- en macroeconomische functies, onder meer wegens de
starre bedrijfsstructuur en de gespannen financiële situatie.
De luchthaven beschikte volgens het
studiebureau nochtans over een aantal troeven (gunstige
ligging, aanwezigheid van multinationale ondernemingen, goed
uitgeruste industriegebieden, groeiende
dienstverleningssector, …). De afdeling Personenvervoer en
Luchthavens bestempelde het masterplan als een zeer bruikbaar
referentiekader.
5. Invloed van de studies op de
besluitvorming
5.1. Beheersvorm van de luchthavens
Hoewel het studiesyndicaat in september
1991 een beheersstructuur had aanbevolen waarbij de luchthaven
door een of meer privaatrechterlijke NV's zou worden geëxploiteerd,
vormde de Vlaamse regering de luchthavens in januari 1992 om
tot diensten met afzonderlijk beheer, dus met een beperkte
zelfstandigheid.
De afdeling Personenvervoer en Luchthavens
ervoer de DAB-formule in 1996 als vrij positief, en zag enkel
de formule van een exploitatieconcessie als volwaardig
alternatief. De consultant zag meer heil in een combinatie van
public-private ownership en een concessiemodel voor bepaalde
onderdelen van de luchthaven. De Vlaamse regering koos in
eerste instantie voor concessieverlening en vervolgens voor de
aanstelling van managers. Zij gaf daarvoor echter geen
motivering op.
Het Rekenhof beschikt evenmin over een
document dat een afweging maakt tussen de verschillende
mogelijke beheersvormen die de studies suggereerden. De
uiteindelijke beslissing managers aan te stellen heeft de
Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), die op eigen
initiatief een onderzoek heeft uitgevoerd naar het
luchthavenbeleid in Vlaanderen, bekritiseerd als te vaag en
zonder duidelijke doelstellingen naar de toekomst toe494. De
SERV twijfelde dan ook aan het succes van deze formule en
stelde een verdere verzelfstandiging van de
luchthavenexploitatie voor.
5.2. Startbaanverlenging en
ondertunneling in Antwerpen
Uit vrijwel alle bedrijfseconomische
studies blijkt dat de financiële leefbaarheid van de
luchthaven er verder zou op achteruitgaan naarmate een
definitieve beslissing tot startbaanverlenging verder zou
worden uitgesteld495 .
De beslissing van de Vlaamse regering de
exploitatie van de luchthaven in concessie te geven, hield
geen definitieve keuze over de startbaan in. De
kandidaat-exploitanten mochten in hun offerte al dan niet
opteren voor een startbaanverlenging. Op 3 maart 2000 besliste
de Vlaamse regering uiteindelijk de startbaan niet te
verlengen, tegen de adviezen van beide consultants in496.
Zij gaf op 19 december 1998 wel opdracht
alle noodzakelijke procedures inzake ruimtelijke ordening en
leefmilieu en de voorbereiding van de wijziging van het
gewestplan Antwerpen op te starten. Deze opdracht stond in het
teken van startbaanverlenging, wat een wijziging van het
Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) vergt497 . Het is
niet duidelijk hoe ver de procedure voor de aanpassing van het
gewestplan al uitvoering kende en of uitvoering ervan nog wel
nodig is na de beslissing tot niet-verlenging. De beslissing
van 3 maart 2000 vermeldt dat ondertunneling van de Krijgslaan
om veiligheids- en rendabiliteitsredenen nog steeds kan worden
overwogen. De studies toonden nochtans herhaaldelijk aan dat
enkel startbaanverlenging een rendementsverhoging garandeert.
Zo met ondertunneling toch rendementsverbetering betracht
wordt, is een voorafgaande kosten-batenanalyse aangewezen.
5.3. Keuze voor een zakenluchthaven in
Antwerpen
De Vlaamse regering ging er tot op heden
steeds van uit dat Antwerpen een eerste roeping heeft als
zakenluchthaven, eerder dan als charter-, vracht- of
sportluchthaven. De consultants koppelden de haalbaarheid van
de verschillende alternatieven daarentegen aan
passagiersaantallen bestaande uit een mengeling van zaken- en
toeristenverkeer.
5.4. Toekomstscenario voor de luchthaven
van Oostende
Het lastenkohier voor de concessieverlening
hield geen rekening met het gedetailleerde toekomstscenario
dat de consultant uittekende. De Vlaamse regering voorzag met
haar beslissing van 3 maart 2000 overigens in onvoldoende
middelen om dit scenario te halen. De kandidaat-
concessiehouders of -managers werden niet ingelicht over het
bestaan van dit scenario.
5.5. Ondernemingsstructuur
De Vlaamse regering hield bij haar
beslissing tot concessieverlening evenmin rekening met de
voorstellen van de consultant aangaande de
beheersmogelijkheden498 . De beslissing tot aanstelling van
managers hield weliswaar het voorstel in de beheersformule aan
te passen om toetreding van privé-partners tot de exploitatie
mogelijk te maken, maar ging niet verder in op de
beheersformules die de consultant suggereerde.
5.6. Conclusies over het nut van de
studies
Het Rekenhof heeft geconcludeerd dat de
diverse studies over de regionale luchthavens tot op heden
niet hebben geleid tot een langetermijnvisie en beleidsopties
die de toekomst van de luchthavens bepalen. De beslissing van
medio 1998 kandidaten voor een concessieverlening op te
roepen, werd niet geschraagd door de conclusies en
aanbevelingen van de consultantstudies, maar gaat terug op de
suggesties die de afdeling Personenvervoer en Luchthavens al
in het begin van 1996 formuleerde. De studieresultaten werden
evenmin medegedeeld aan de kandidaat-inschrijvers voor de
concessieverlening of, recenter, kandidaat-managers, die
zodoende verplicht werden een deel van dit studiewerk over te
doen. De studies werden derhalve niet op optimale wijze
gebruikt.
De studies van de externe bureaus lokten
veel kritiek uit, onder meer op hun methodiek, uitgangspunten,
objectiviteit en volledigheid. Enerzijds lag een gebrek aan
definiëring van de verwachtingen inzake de
luchthavenexploitatie vanwege de beleidsverantwoordelijken aan
de basis daarvan. Anderzijds was er een gebrek aan coördinatie
van de beleidsvoorbereidende werkzaamheden. Verschillende
instanties (kabinet van de minister, afdeling Personenvervoer
en Luchthavens, GIMV, PMV) waren soms onafhankelijk van mekaar
begaan met de voorbereiding van de besluitvorming inzake het
luchthavenbeleid.
Het Rekenhof is van oordeel dat het
initiatief tot en de coördinatie van de besluitvorming in een
dergelijk complex en delicaat dossier bij voorkeur de
functioneel bevoegde administratie toekomt, in casu de
afdeling Personenvervoer en Luchthavens.
6. Andere opmerkingen van het Rekenhof
Het toevertrouwen van de begeleiding van de
concessieverlening én de procedure voor de aanstelling van de
managers aan de PMV, roept vragen op over de rol die de
afdeling Personenvervoer en Luchthavens nog voor de
luchthavens speelt. Volgens de vigerende functiebeschrijvingen
moet deze dienst instaan voor het overkoepelend administratief
overheidsbeheer. Waarom sommige van haar taken aan PMV werden
uitbesteed, werd niet gemotiveerd. Het Rekenhof acht het in
elk geval nuttig dat de afdeling een volledig dossier met alle
documenten over de regionale luchthavens (studies,
briefwisseling, offertes) bijhoudt en vlot toegankelijk maakt
voor beleids- en controle-instanties. Daar een dergelijk
dossier er momenteel niet is, wordt de transparantie van de
besluitvorming onvoldoende gegarandeerd.
Het Rekenhof herinnerde ten slotte aan de
aanbevelingen die het Vlaams Parlement naar aanleiding van de
ervaringen met de concessie voor de Liefkenshoektunnel
formuleerde499, met name dat alternatieve financieringen
waarbij het risico volledig ten laste van de overheid wordt
gelegd en de privé-partners enkel delen in de mogelijke
baten, in de toekomst onmogelijk moeten worden gemaakt.
7. Antwoord van de Vlaamse Minister van
Mobiliteit
Het antwoord van de Vlaamse Minister van
Mobiliteit van 15 februari 2000 sprak de bevindingen van het
Rekenhof niet tegen, maar vulde ze aan en hield onder meer de
onderstaande bedenkingen in:
• de evaluatie van het Rekenhof is louter
financieel en geeft geen kwalitatieve appreciatie van de
geleverde werkzaamheden;
• het Rekenhof ging impliciet uit van de
doelstelling de luchthavens (exploitatie en investeringen)
zoveel mogelijk kostendekkend te maken;
• de werkgelegenheid nam bij de DAB's in
de periode 1992-1999 sterk toe en de bijkomende
personeelsleden werden niet gefinancierd door bijkomende
dotaties, maar door een verhoging van de eigen inkomsten;
• het investeringsprogramma sedert 1992
onderging duidelijk de invloed van de toestand waarin de
luchthavens naar het Vlaams Gewest werden overgeheveld en de
nieuwe regelgeving;
• een scheiding van de
investeringsdotaties voor beide regionale luchthavens in de
begroting is wenselijk, maar om procedurele en praktische
redenen moeilijk realiseerbaar;
• de huidige beheersformule (DAB) stelde
het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in staat de
luchthavens te blijven beheren.
8. Conclusie
De Vlaamse regering is er tot op heden niet
in geslaagd middels een vertaling van de diverse studies over
de toekomstperspectieven in beleidsmaatregelen, de exploitatie
van deze luchthavens meer rendabel te maken en de
afhankelijkheid van het Vlaams Gewest te reduceren.
Integendeel, de financiële positie van de luchthavens gaat
steeds verder achteruit en de dotatiebehoefte groeit gestaag.
De Vlaamse overheid heeft momenteel overigens maar een beperkt
inzicht in de uitgaven- en inkomstenstructuur per luchthaven,
aangezien de jaarrekeninggegevens van de DAB’s niet alle
kosten in beeld brengen.
De besluitvorming inzake de luchthavens
verliep het voorbije decennium niet doelmatig. De Vlaamse
regeringen wendden de resultaten van de vele studies niet
optimaal aan. Beslissingen lieten niet enkel lang op zich
wachten, maar sloten evenmin altijd aan bij de conclusies en
aanbevelingen van de studies. Bovendien waren verscheidene
instanties onafhankelijk van mekaar met de
besluitvormingsvoorbereiding begaan en kon de functioneel
bevoegde afdeling Personenvervoer en Luchthavens niet haar
normale coördinerende rol vervullen. Ook bij de recent
opgestarte procedure tot aanstelling van managers, maakte de
Vlaamse regering geen gebruik van de vroegere studies, die
bijgevolg gedeeltelijk zullen moeten worden overgedaan. Dat
zij de afwikkeling van de aanstellingsprocedure - zonder
motivering - volledig aan de PMV toevertrouwde, doet vragen
rijzen over de rol die de administratie nog ten aanzien van de
luchthavens zal spelen.
Bij de kritiek van de SERV dat de
beslissing managers aan te stellen vaag en zonder duidelijke
doelstellingen is, sluit het Rekenhof zich aan: de taken van
de managers vallen gedeeltelijk samen met die van de huidige
luchthavendirectie en zullen bijkomende kosten meebrengen
(geraamd op 60 miljoen BEF per jaar).
468 Het systeem van
kapitaalsubsidies liet een besparing van 21 % op de
investeringen toe (recuperatie van de BTW).
469 Memorie van toelichting
bij het ontwerp van decreet houdende diverse bepalingen tot
begeleiding van de begroting 1992, Stuk 187 (BZ 1992) - Nr.1,
6 mei 1992, p.42).
470 De DAB-beheersvorm
brengt geen rechtspersoonlijkheid mee. DAB's kunnen juridisch
geen eigen patrimonium hebben en moeten de
luchthaveninvesteringen in het patrimonium van de Vlaamse
Gemeenschap boeken.
471 Volgens de recentste raming jaarlijks
24,5 miljoen BEF
472 Die kosten (ongeveer
46,4 miljoen BEF per jaar) worden gecompenseerd door inkomsten
uit en-route-heffingen. Een eventuele privatisering van de
luchthavenexploitatie moet er echter rekening mee houden, daar
het engagement van de regie alleen tegenover de Gewesten
geldt, niet tegenover private bedrijven
473 Daar het Rekenhof geen
rekening hield met ontbrekende informatie, is de werkelijke
toestand nog minder rooskleurig dan uit deze analyse blijkt
474 Daling van
passagiersvergoedingen met 14,6% en opbrengsten uit
handelsconcessies met 22,5%.
475 Zij nemen de
kapitaalsubsidies maar in het resultaat op tot het bedrag van
de afschrijvingen, zodat het resultaat niet wordt beïnvloed.
476 De dekkingsgraad geeft
de mate waarin de opbrengsten de kosten dekken weer. De
gecorrigeerde dekkingsgraad geeft aan in hoeverre de
luchthaven zijn kosten meteigen opbrengsten kan dekken (dus
exclusief overheidsdotaties).
477 Deze aanbeveling is ook
opgenomen in het verslag van het Rekenhof over het onderzoek
van de ontwerpen van decreet houdende de aanpassing van de
middelenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van de
Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2000, Stuk 20
(1999-2000) – Nr. 1 van 3 mei 2000, p. 13.
478 Stuk 341 (1989-1990) – Nr. 1, van 16
mei 1990
479 Decreet van 25 juni 1992
houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting
1992, artikel 95.
480 Stuk 186 (BZ 1992) – Nr. 1, 6 mei
1992, p. 42 en 43.
481 Beleidsbrief –
Ruimtelijke structuur voor Vlaanderen – Opties voor een
duurzaam en leefbaar ruimtebeheer – Beleidsprioriteiten
1995-1999, Stuk 157 (1995-1996) – Nr. 1, van 13 november
1995, p. 87-94.
482 Vergadering van de
Vlaamse regering van 20 oktober 1998 (VR/98/20.10/DOC.0968).
483 De regering nam daarbij
geen beslissing over de toekomst van de luchthaven Antwerpen,
maar ging uit van het behoud van een zakenluchthaven en de
realisatie van een spoorverbinding met Zaventem.
484 Van de inschrijvers werd
vooraf een gedetailleerd businessplan gevraagd, bestaande uit
een investeringsplan, een financieel plan, een
tewerkstellingsplan en een commercieel plan. Bovendien moesten
ze ook een milieuplan voorleggen.
485 De twee verkregen
inschrijvingen voor Antwerpen waren onregelmatig op
administratief juridisch vlak. Bovendien toonden hun financiële
analyses dat zij een grote gewesttegemoetkoming (1 tot 3
miljard BEF) onontbeerlijk achtten. Slechts 1 van de 3
inschrijvingen voor Oostende kon als offerte worden beschouwd
en ook die was bovendien onregelmatig.
486 Regeringsverklaring van
de Vlaamse regering, Stuk 31 (1999) – Nr. 1, van 13 juli
1999, p. 52.
487 Basisallocatie 12.31,
Managementovereenkomst regionale luchthaven, op programma
63.30, Regionale luchthavens en vliegvelden.
488 Het Rekenhof formuleerde
deze bedenking al in zijn verslag over het onderzoek van de
ontwerpen van decreet houdende de aanpassing van de
middelenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van de
Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2000 (Stuk 20
(1999-2000) – Nr. 1 van 3 mei 2000 – p. 21).
489 Vertegenwoordigers van
het Vlaams Gewest en de GIMV.
490 Voor de luchthaven van
Grimbergen werd sluiting voorgesteld en activering van de
activa, wat later ook is gebeurd.
491 Nota van de
Directeur-generaal van AWV van 2 juli 1998 aan de Vlaamse
Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening,
kenmerk DG/A/036- 16 DO-I-98/3390.
492 Nota met kenmerk
VR/98/2307/DOC/0803.
493 Nota met kenmerk
VR/98/1812/DOC/1302
494 Aanbeveling over luchtvaart en
luchthavenbeleid van 10 mei 2000.
495 Over de kosten en
opbrengsten verbonden aan het alternatief van een
startbaanverlenging liepen de meningen overigens vrij sterk
uiteen. Zo varieert de kostprijsraming van 1,2 miljard BEF tot
meer dan 2,5 miljard BEF.
496 Volgens de tweede
consultant zou deze denkpiste uiteindelijk tot de sluiting van
de luchthaven leiden.
497 Het RSV duidt de
luchthaventerreinen aan als zone voor openbaar nut met
nabestemming parkgebied. Het stelt dat uitbreiding, gelet op
de ligging in het centrum van de stedelijke gebieden,
verantwoord noch gewenst is.
498 De consultant stelde een
aantal modellen van public-private ownership voor, alsook een
aantal concessiemodellen of non-profit modellen.
499 Stuk 376 (1995-1996) - Nr. 1 van 26 juni
1996.