|
1.1. Werkkader
In 1996 leverde de dienst DAB (Luchthaven Antwerpen) een
nota aan de Vlaamse Regering. In oktober 1996 besliste de
Vlaamse Regering een bijkomend onderzoek aan GIMV - "in
derde functie" en dus aan PMV, de
"Participatiemaatschappij Vlaanderen" - toe te
vertrouwen over een mogelijke privatisering.
In april 1997 werd het contract getekend met PMV, die na
een Europese aanbesteding, heeft besloten om Ernst & Young
te gebruiken in onderaanneming.
De originele formulering van studie over de mogelijke
"privatisering" werd in het contract verder ingevuld
als volgt:
een bedrijfseconomische audit met volgende onderdelen
 | Analyse van voorhanden zijnde eerdere studieopdrachten
(vanaf 1991); |
 | Financiële analyse van het exploitatieresultaat van de
luchthaven; |
 | Vergelijking met de uitbatingscijfers van vijf
vergelijkbare Europese luchthavens; |
 | Bedrijfseconomische en financiële raming van de kosten
en opbrengsten voor het Vlaams Gewest van de volgende
alternatieve strategische toekomstbeslissingen:
|
• onveranderde verderzetting
• optimalisatie van de huidige exploitatie
• stopzetting en valoriseren van het domein
• privatisering van de activiteit met onderzoek van de
randvoorwaarden
Tevens werd
gevraagd om geluidstechnische elementen in de
bedrijfseconomische studie op te nemen. PMV besliste hiervoor
beroep te doen op LMS (Leuven Measurement Systems).
Belangrijk is
tevens om te vermelden dat in de cijfergegevens nergens
zogenaamde (macro-' economische effecten op de regio werden
becijferd, aangezien de opdracht een
"bedrijfseconomische" origine had.
Voorts dient
vermeld te worden dat men zich gebaseerd heeft op de cijfers
van het boekjaar 1996, met name de toen meest recente.
Belangrijk is
tevens te vermelden dat, los van de opdracht aan PMV, ook de
'vliegtechnische aspecten" best ten gronde zouden dienen
uitgespit te worden (o.a. ICAO-reglementering en toegepaste
veiligheidsvoorschriften van de luchtvaartmaatschappijen)
aangezien deze de facto een impact lijken te hebben op het
laadvermogen van de luchtvaartmaatschappijen en dus op de
mogelijke rentabiliteit van de luchthaven.
1.2.
Vertrekpunt: DAB-studie 1996
Uit de door DAB in
1996 gepresenteerde studie kan men volgende (voor hierna
relevant zijnde) conclusies halen:
 |
de huidige
startbaanlengte geeft geen volledige operationaliteit voor
de luchtvaartmaatschappijen, waardoor ze geen volledige
bezetting met de door hun geprefereerde toestellen kunnen
halen.
|
 | Pagina 4 DAB stelt:
"met de huidige startbaanlengte zal de luchthaven ver
beneden het potentiële niveau blijven functioneren. Het
zal zelfs moeilijk worden nog veel verder te
groeien." (2)
|
Uit de diverse
gesprekken (o.a. met piloten) blijkt het voornaamste probleem
van Deurne dat de startbaan "slecht" ligt. Voor de
opstijgbewegingen richting Antwerpen (minstens 70% van de
bewegingen) wordt men, indien de velligheidsvoorschriften
(over hindernissen in het verlengde van de startbaan geraken
indien 1 motor uitvalt) worden toegepast, gehinderd door een
hele reeks gebouwen o.a. het Provinciegebouw. Door die
veiligheidsvoorschriften kan men met het gewenste type van
vliegtuigen, niet met volle bezetting opstijgen. Een
verlenging van de baan betekent eigenlijk een
"verlegging" zodanig dat men sneller opstijgt en
theoretisch wel over de hindernissen kan indien men de
veiligheidsvoorschriften toepast. Alleszins vergt deze
problematiek een verdere analyse van specialisten terzake,
doch nu lijkt uit alle gesprekken dezelfde visie te
prevaleren. B-737 en Rj100 hebben serieuze problemen, RJ-85 en
F-50 hebben minder problemen. De meeste maatschappijen passen
hun vliegtuigtypes niet aan aan één specifieke luchthaven
die beperkingen heeft en wensen bovendien voor toekomstige
operaties de mogelijkheid te hebben om grotere types te kunnen
inzetten indien de lijnen succesvol blijken te zijn. Indien
dit bevestigd wordt door experten terzake, betekent dit ook
dat, voor een eventuele privatisering, deze slechts kans op
slagen heeft indien een startbaanverlening mogelijk zou zijn.
 |
de DAB stelt
geen duidelijke definitie van de privatisering, die het
Vlaams Gewest beoogde, ontvangen te hebben (pag. 5 DAB).
Ofwel werd de vraag gesteld of de huidige DAB-vorm de
meest efficiënte was ofwel werd de vraag gesteld of de
luchthavenexploitatie leefbaar was zonder verdere financiële
inbreng van de overheid. De DAB meende dat dit laatste de
achtergrond was van de vraagstelling vanuit de Vlaamse
Regering naar de privatisering (pag. 5 DAB).
|
 | de DAB stelt (pagina 12 DAB)
dat een vermindering van de dotatie met telkens 113 van
het huidig jaarlijks bedrag (27 miljoen BEF) mogelijk moet
zijn voor 1997 en 1998 "binnen de "huidige"
(1996) perspectieven"(3)
|
Uit de door DAB
voorgelegde budgetten bleek dat echter initieel voor resp.
1997, 1998 en 1999 nog steeds 27 miljoen BEF voorzien werd. In
een tweede versie werd deze dotatie respectievelijk 26 mio
BEF, 22 mio BEF en 20 mio BEF wat alleszins niet de " 113
daling" is. Tevens daalt volgens DAB in die periode het
bedrijfsresultaat van 9.8 mio BEF in 1997 tot 0 BEF in 1999,
wat er vermoedelijk toe zal leiden dat de exploitatiesubsidie
nog zal dienen toe te nemen. Tevens dient hieraan worden
toegevoegd dat sindsdien twee van de vier
luchtvaartmaatschappijen hun activiteiten vanuit Deurne hebben
gestopt (Sabena en CityFlyer)
Uit vergelijking
met omringende Europese "regionale" luchthavens
blijkt Deurne zeer lage tarieven toe te passen, dus rest de
vraag of er wel "marktconformiteit" is.
|
IN BEF
|
Deurne
|
Metz
|
London City
|
Rotterdam
|
Eindhoven
|
Dortmund
|
|
Passagiers (lijn)
|
205.000
|
169.000
|
724.000
|
375.000
|
203.000
|
425.000
|
|
Tarief passagiers
|
280
|
281
|
610
|
336
|
329
|
?
|
|
Aëron. Omzet
|
46.000.000
|
46.000.000
|
461.000.000
|
140.000.000
|
105.000.000
|
86.000.000
|
|
Niet-aëron. Omzet
|
29.000.000
|
70.000.000
|
190.000.000
|
130.000.000
|
52.000.000
|
188.000.000
|
|
Totale omzet
|
75.000.000
|
116.000.000
|
651.000.000
|
270.000.000
|
157.000.000
|
274.000.000
|
|
Omzet/Pass. lijn
|
366
|
686
|
899
|
720
|
773
|
644
|
 |
de DAB stelt
(pag. 16 en 17 DAB) dat men zeer grote vraagtekens zet bij
de uitgangspunten van de studie van Ernst & Young
(1991) i.v.m. benodigd personeel. Ernst & Young stelde
toen 32. De DAB heeft nu zelf 51 werknemers (plus 21 van
het federaal niveau). (6)
|
Ernst & Young
stelt in de huidige studie (p. 47 en p. 52-53)een nieuwe
studie i.v.m. personeeelsoptimalisatie nodig is. Sinds 1991 is
o.m. de scheiding in een Schengen en een niet-Schengen zone
ingevoerd), maar dat men in principe met een mindere
personeelsbezetting dan heden zou moeten kunnen opereren.
 |
de DAB stelt
(pag. 17 DAB) dat de visie van 1991 van GIMV-Vlaams Gewest
om over te gaan tot een privatisering "slechts
mogelijk is nadat de overheid een aantal
inhaalinvesteringen zal hebben uitgevoerd". (7)
|
Het feit dat de
overheid vóór een privatisering noodzakelijk
inhaalinvesteringen zou dienen uit te voeren is geen gegeven
waarvan de overheid automatisch dient uit te gaan. In het
buitenland zijn de meeste voorbeelden diegene waarbij het
omgekeerde geldt - een verplicht investeringsvolume voor de
privé-exploitant. Of een voorafgaande
"inhaalinvestering" nodig zou zijn, zal blijken uit
de complexe interactie tussen alle randvoorwaarden die gelden
bij het privatiseringsproces (cfr. v. 17 van de huidige Ernst
& Young studie).
 |
de DAB stelt
(pagina 19 DAB) dat een "verkoop (met
bestemmingswijziging) als totaal onrealistisch beschouwd
mag worden, gelet op de omvang van de financiële lasten.
(8)
|
De verkoop met
bestemmingswijze zou geen grote financiële lasten voor de
overheid betekenen. Enerzijds lijkt de raming DAB van 790 mio
BEF voor "herstel van het natuurlijk terrein" (cfr.
p. 15 van de studie) zeer hoog te zijn en anderzijds is de
vraag welke "opbraakkosten" een koper de facto zal
lopen (bij kan bv. opteren om de startbaan te laten liggen als
verkeersas in het te verkavelen terrein). Alleszins lijkt een
directe verkoopwaarde van 1.2 mia BEF (behoudens indien de
milieusanering meer dan 100 mio BEF zou bedragen) haalbaar en
dit zonder "afbraakkosten" ten laste van de overheid
(cfr. p. 15 van de studie), weliswaar dient de nabestemming
dan woonzone te zijn.
 |
de DAB stelt
(pag. 19 DAB) dat de luchthavengebruikers voorwaarden
stellen dat het niet verlengen van de startbaan een
winstgevende exploitatie van de luchthaven onmogelijk
maakt". (9)
|
cfr. supra
"werkkader"
 |
de DAB stelt
(pag. 20 DAB) dat "vooraleer een wijziging van de
beheersformules bestudeerd kan worden en eerst vanuit het
politieke niveau de doelstellingen en de essentiële
randvoorwaarden van een privatisering dient te preciseren
en dat men vervolgens dient na te gaan in welke mate deze
doelstellingen kunnen worden bereikt binnen een eventuele
bij geschaafde DAB." (10)
|
De stellingname
dat de randvoorwaarden van de privatisering dienen omschreven
te worden, lijkt redelijk. Een eerste aanzet daartoe wordt
gegeven in de studie (cfr. p. 17). Over de visie van DAB dat
DAB zelf de kans moet hebben om
"privatiseringsdoelstellingen te kunnen bereiken binnen
een eventuele bijgeschaafde DAB" is een visie waarop geen
commentaar gegeven kan worden. Dit lijkt een beslissing voor
het politiek beleid te zijn.
1.3. Overige
conclusies
Aangaande de
onderdelen 2 (financiële analyse), 3 (Europese vergelijking)
en 4 (alternatieve toekomstbeslissingen) kan p. 6 tot en met
22 van de studie Ernst & Young als leiddraad dienen.
DEEL 2:
FINANCIELE ANALYSE
De geëigende
voorstellingswijze van het DAB-bedrijfsresultaat verschilt wel
enigszins van een bedrijfseconomische:
|
|
Resultaat
(1996)
|
Cash-flow
(1996)
|
|
DAB
|
8.330.655
|
7.445.639
|
|
Bedrijfseconomisch
|
-47.222.345
|
-76.599.361
|
Als
conclusie is hierbij te vermelden :
 |
bij
ongewijzigd beleid zal de DAB de financiële steun van de
Vlaamse Gemeenschap nodig blijven hebben: jaarlijks
minstens 50 mio BEF investering (of als men de
DAB-prognose volgt zelfs 64 mio BEF), 27 mio BEF dotatie
en 8 mio BEF centrale overheadkost of m.a.w. 85 mio BEF
jaarlijkse minimale bijdrage. Deze bijdrage zal nog te
verhogen zijn indien men geen compensatie vindt voor het
stopzetten van de lijnen door SABENA (-5.2 mio BEF) en
CITY FLYER (-9.9 mio BEF) in 1997 en 1998.
|
 | indien Deurne als
luchthaven zelf zou dienen te opereren met een break-even
cash-flow, zou ze een stijging van 420.875 passagiers
(rest ongewijzigd) moeten kennen t.o.v. de huidige
272.000, wat dus ipso facto betekent dat het aantal
vluchtbewegingen - bij hypothese van eenzelfde
vliegtuigtype - meer dan verdubbeld dient te worden (nu
ongeveer 9.000 bewegingen voor 272.000 passagiers).
|
DEEL 3:
EUROPESE VERGELIJKING
Voor dit onderdeel
werd, zoals reeds eerder gemeld, een vergelijking gemaakt met
Metz, London City Airport, Rotterdam, Eindhoven en Dortmund.
Belangrijk Is wel
te melden dat nooit een exact vergelijkbare luchthaven zal
kunnen gevonden worden; o.a. bv. qua aantal passagiers,
"catchment area", aantal lijnvluchten en typische
kostenstructuur: het al dan niet ten laste nemen van politie,
brandweer, afschrijvingen, intresten e.d.m.
De hierna vermelde
cijfers geven dan ook geen detail aangaande de
bedrijfseconomische winst of verlies van de specifieke
luchthavens, doch slechts de globale omzet:
|
IN BEF
|
Deurne
|
Metz
|
London City
|
Rotterdam
|
Eindhoven
|
Dortmund
|
|
Passagiers (lijn)
|
205.000
|
169.000
|
724.000
|
375.000
|
203.000
|
425.000
|
|
Tarief passagiers
|
280
|
281
|
610
|
336
|
329
|
?
|
|
Aëron. Omzet
|
46.000.000
|
46.000.000
|
461.000.000
|
140.000.000
|
105.000.000
|
86.000.000
|
|
Niet-aëron. Omzet
|
29.000.000
|
70.000.000
|
190.000.000
|
130.000.000
|
52.000.000
|
188.000.000
|
|
Totale omzet
|
75.000.000
|
116.000.000
|
651.000.000
|
270.000.000
|
157.000.000
|
274.000.000
|
|
Omzet/Pass. lijn
|
366
|
686
|
899
|
720
|
773
|
644
|
|
Startbaan
|
1.510 m
|
2.500 m
|
1.199 m
|
2.200 m
|
3.000 m
|
1.450 m
|
Als conclusie is
hierbij te vermelden:
 |
de omzet
(zowel aëronautisch als niet aëronautisch) per passagier
is in Deurne veruit de laagste van alle luchthavens.
Buiten een lage tariefzetting blijkt ook een zeer lage
omzet per vliegtuigbeweging, wat dan weer te maken heeft
met het zeer hoog aandeel van de "general
aviation", (d.w.z. de niet-lijnvluchten).
|
 | de personeelskost per
passagier is op heden in Deurne redelijk hoog. Het huidig
personeelsbestand is echter voldoende om een stijgende
activiteit aan te kunnen (wat die specifieke ratio dan kan
doen dalen).
|
DEEL 4:
ALTERNATIEVE TOEKOMSTBESLISSINGEN
1. Onveranderde
verderzetting van de exploitatie
Als conclusie kan
men stellen dat, bij ongewijzigd beleid, de Vlaamse
Gemeenschap minimaal 85 mio BEF per jaar kasmatig zal dienen
bij te passen (eventueel nog meer indien de investeringen
jaarlijks meer dan 50 mio BEF belopen of indien het
trafiekverlies door de stopzetting van Sabena en City Flyer,
met een minimale waarde van ongeveer 15 mio BEF, niet
jaarlijks kan gecompenseerd worden).
2.
Optimalisatie zonder startbaanverlenging
Als conclusie kan
men stellen dat de bijdragen van de Vlaamse Gemeenschap naar
nul te
herleiden is,
indien tegelijk:
3.
Optimalisatie mét startbaanverlenging
Een verlenging (of
"verlegging" eerder) van de startbaan lijkt de
aantrekkingskracht uit te oefenen op de
luchtvaartmaatschappijen, maar ook het omgekeerde geldt.
Indien, wat voor
de berekening de opdracht was, de kostprijs van de
startbaanverlenging, ongeveer 1.2 mia BEF, door de luchthaven
zelf zou dienen gedragen te worden, zijn de voorwaarden
daartoe:
4. Stopzetting
Als
"positieve" effecten voor de financiën van de
Vlaamse Gemeenschap gelden dan:
 |
het stop
zetten van de jaarlijkse financiële stroom
|
 | een verkrijgbare
verkoopsom (geraamd op minimaal 1.2 mia BEF bij
nabestemming woonzone)
|
Als
"negatieve" effecten voor de financiën van de
Vlaamse Gemeenschap gelden dat
5.
Privatisering
De mogelijkheden
en de eventuele opbrengst zijn verbonden met een hele reeks
beleidskeuzes die eerste gemaakt dienen te worden. Als titel
van voorbeeld en niet exhaustief kan hierbij aangehaald
worden:
Met de huidige
kennis aangaande luchtvaarttechnische belemmeringen van de
luchthaven Deurne lijkt echter een privatisering zonder
mogelijkheid tot startbaanverlenging enerzijds weinig zinvol
te zijn, tenzij men een private uitbater als een meer valabele
exploitant zou zien dan de huidige DAB, en anderzijds zou het
financieel weinig opbrengen.
Indien een
"normale" (d.i. ondermeer afhankelijk van de eerder
te nemen beleidskeuzes én van de mogelijkheid tot verlenging)
concessieprijs van een private exploitant kan bekomen worden,
zou dit op heden kunnen variëren tussen 5 á 15 maal EBDIT
("Earnings before Depreciation, Intrest and
Taxation"). Op heden is deze EBDIT eigenlijk negatief bij
de luchthaven Deurne, indien men de jaarlijkse dotatie buiten
beschouwing laat. Financieel lijkt een privatisering dus
weinig inkomen te genereren in de huidige toestand, maar
hierbij dient duidelijk gewezen te worden op het feit dat dit
volledig afhankelijk is van de eerst te nemen beleidskeuzes.
4.
Geluidstechnische beschouwingen
De studie die LMS
uitvoerde in 1997 i.v.m. het vliegtuiglawaai van de luchthaven
Deurne kent
een aantal
randgegevens:
*Verdubbeling
van het aantal vliegtuigbewegingen;
*Halvering van het aantal vliegtuigbewegingen;
*Een verlenging van de startbaan tot 500 m.
Qua resultaten
komt LMS tot volgende bevindingen:
 |
Er zijn meer
vliegtuigbewegingen in vergelijking met 1995, maar de
toestellen op zich zijn geluidsarmer, hetgeen resulteert
in lagere piekwaarden voor het geluidsniveau. Ondanks een
toename van de vliegbewegingen blijft de absolute bijdrage
van het vliegtuiglawaai in het totale globale
geluidsniveau bij benadering constant, dankzij een
relatieve daling van het vrachtvervoer en het gebruik van
nieuwere toestellen.
|
 | Het globale geluidsniveau
rond de luchthaven steeg met 1 tot 3 dB, maar het
relatieve aandeel van het vliegverkeer daarin is
verminderd.
|
 | De evaluatie van de
metingen rond Deurne volgens de 9 normvoorstellen leidt
niet tot éénduidige conclusies, gezien de grote
verschillen in de gehanteerde grenswaarden. Het als of
niet respecteren van de grenswaarden uit de
normvoorstellen is sterk afhankelijk van de keuze van de
norm en de ligging van het meetpunt. Bij de huidige
operationele condities worden de grenswaarden van de
strengste norm (Ke) overschreden in 7 van de 16
meetpunten. Deze norm wordt onder meer toegepast in
Nederland. De grenswaarden van de minst restrictieve norm
(Laeqt) worden in geen enkel meetpunt overschreden, noch
inzake isolatiemaatregelen, noch inzake planologische
beperkingen. Deze norm wordt internationaal toegepast. De
in Duitsland en Frankrijk gehanteerde parameters (respect.
Q en IP) duiden aan dat de grenswaarde voor planologische
beperkingen niet overschreden wordt. Volgens deze normen
kunnen echter wel maatregelen inzake isolatie van
bestaande gebouwen overwogen worden in 1 tot 4 meetpunten.
|
 | Bij een mogelijke
verlenging van de 29/11 start- en landingsbaan met 500 m
in de richting van Fort 3, ligt het punt 19bis even ver
van het einde van de baan dan punt 19 nu. Dit punt 19 is
momenteel (samen met punt 8 Steinerschool) het meest aan
vliegtuiglawaai onderhevig. De mate van verschuiving van
deze geluidsbelasting van punt 19 naar punt 19bis is sterk
afhankelijk van het al of niet inzetten van grotere
toestellen die een langer stuk van de baan gebruiken om op
te stijgen.
|
 | Bij verdubbeling van het
aantal vliegbewegingen overschrijdt het geluidsniveau de
grenswaarde van het in Nederland gebruikte normvoorstel
(Ke) in 4 bijkomende punten. De grenswaarden voor de minst
restrictieve norm worden nog steeds niet overschreden en -
dit geldt ook voor de norm die in Frankrijk gehanteerd
wordt (IP). De Duitse norm (Q) zal in 1 meetpunt
overschreden worden ten gevolge van taxi-lawaai.
|
 | Uit de opsplitsing van het
totale geluidsbeeld in een aan vliegtuiglawaai toe te
schrijven component en achtergrondgeluid blijkt, dat het
hoogst gemiddelde achtergrondniveau (Laeqt) 11 dB(A) hoger
ligt dan het hoogst gemiddeld specifiek
vliegtuig-gerelateerde lawaai. In 11 van de 16 meetpunten
is het gemiddeld residueel achtergrondniveau hoger dan het
gemiddeld specifiek vliegtuiggerelateerd niveau. De
piekgeluidsdrukken (Lmax) zijn in 10 van de 16 meetpunten
toe te schrijven aan vliegtuigen. Het specifiek
vliegtuiggerelateerd maximum overschrijdt het residueel
maximum met 3.3 dB(A).
|
 | Diezelfde opsplitsing laat
toe de geluidsniveaus rond de luchthaven van Deurne te
toetsen aan de VLAREM-II regelgeving, hoewel die strictu
sensu niet op luchthavens van toepassing is. In VLAREM 11
wordt LA95 gehanteerd als beoordelingsparameter van de
evolutie van de geluidshinder voor en na een
inplanting/uitbreiding. Uit de analyse blijkt dat de
VLAREM II LA95 grenswaarden in alle meetpunten
overschreden worden, zelfs bij afwezigheid van alle
vliegverkeer. In dergelijk geval voorziet VLAREM in een
richtlijn die de toename van de geluidshinder beperkt. Aan
deze richtwaarde wordt in één meetpunt, waar het
taxilawaai van de vliegtuigen overheerst, niet voldaan.
|
|