Advies van het gemeentebestuur Mortsel
inzake de milieuvergunningsaanvraag
Gemeentebestuur Mortsel
UITTREKSEL UIT HET REGISTER VAN DE BESLISSINGEN van het
COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
Aanwezig: W.DEHAEN, burgemeester-voorzitter,
VAN DEN BROECK-HAMMENECKER, H. VAN DRIESSCHE-POOTERS, A.
JESPERS, I.VERNIEUWE, E.BROECKX en R. LIBERT, schepenen,
J.PEETERS, gemeentesecretaris.
Zitting van 27.12.1999
B.1. Vlarem - Internationale Luchthaven Antwerpen -
9000/99/2/3 . Luchthavenlei te 2100 Deurne/ Antwerpen - de
exploitatie van een internationale luchthaven - ongunstig
advies.
HET COLLEGE NEEMT KENNIS VAN:
De vraag om advies vanwege het Provinciebestuur d.d. 10
november 1999 met referentie 2/MV/MLAV1/9900000397/LDS/lh-;
Het verslag d.d. 23 december 1999 van de heren E. Mertens,
milieuambtenaar en M. Ampe, stedenbouwkundige met volgende
overwegingen en opmerkingen;
OVERWEGINGEN EN OPMERKINGEN:
Aangezien bij de aanvraag geen enkel bouwvergunningsbesluit
werd gevoegd; dat bijlage 10 enkel het 'voorste blad' van een
vergunningsbesluit (datum niet gekend) van een aanvraag van
02.03.1998 voor de bouw van een douanekantoor omvat; dat o.m.
voor volgende recent opgerichte constructies geen
bouwvergunningen gekend zijn:
- controletoren: nieuw prefab-verdieping (1994)
- loods voor grote vliegtuigen (blok B103) en de kantoren
ten noorden hiervan (zou in concessie zijn - VLM)
- gebouw ten zuiden van Blok D106: prefab HOB-Units:
kantoor en opvang
- gebouw ten zuid-westen van douanegebouw
- twee masten van Belgocontrol
- rolbaan 'B'
- grasbaan
- loods ten noorden van de 'Rolbaan G'
- meteopost langs Krijgsbaan (niet aangeduid op
liggingsplan)
- reliefwijziging langs Krijgsbaan
- kerosine-opslagplaats B.P.
- 12.aanpassing westzijde startbaan.
Dat rekening gehouden met het feit dat binnen deze gebouwen
een belangrijk deel van de vergunningsplichtige activiteiten
plaatsvinden, de aangevraagde activiteiten niet kunnen worden
vergund zolang er geen duidelijke uitspraak is over alle
vergunningsplichtige werken (al dan niet regularisatie) en
zolang geen geldige bouwvergunning is afgeleverd.
Overeenkomstig het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd bij
K.B. van 03.10.1979 is de inrichting gelegen in een gebied dat
bestemd is als luchtvaartterrein. Overeenkomstig art. 7 van de
aanvullende stedenbouwkundige voorschriften wordt gesteld dat
mocht het ophouden als vliegveld te worden gebruikt, dan
krijgt het gebied de bestemming van parkgebied.
Het vliegveld paalt langs de oostzijde (Borsbeek - Mortsel)
aan een agrarisch gebied; ten noorden (Deurne) aan een
woongebied en recreatiegebied; ten westen aan een woongebied
en langs de zijde spoorweg aan een gebied voor
gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen
(Amedeus-ziekenhuis) en een recreatiegebied.
Het goed is m.b.t. het grondgebied MORTSEL niet gelegen
binnen de omschrijving van een Algemeen en Bijzonder Plan van
Aanleg.
Het gewestplan Antwerpen gaat uit van een herbestemming en
het groene vingerconcept rond de grootstad. De groene vinger
is het gebied vanuit Ranst doorlopend tussen Borsbeek en
Mortsel en eindigend in fort 3 en de luchthaven van Deurne. In
afwachting van de afbakening van het grootstedelijk gebied
blijft het wenselijk dat nu reeds acties worden ondernomen
(zoals herbestemmingen, inrichting, enz.) om deze groene
vinger te vrijwaren.
De toekomst van de luchthaven is een problematiek die op
Vlaams niveau zal worden bepaald. Het Vlaams gewest zal ook
het luchthavengebied afbakenen binnen het af te bakenen
grootstedelijk gebied Antwerpen. De afbakening moet echter nog
gebeuren. Wanneer is onduidelijk.
In ieder geval dient in functie van de nabestemming van het
gewestplan (thans de enige juridisch geldende bestemming) het
open karakter van deze ruimte worden gewaarborgd.
Indien uitgegaan wordt van een optimalisering van de
luchthaven moet dit gepaard gaan met een actieplan en met
investeringen gericht op de 'verbetering' van de inpassing van
het vliegveld in zijn ruime omgeving, doch binnen de grenzen
zoals afgebakend in het gewestplan. Hierbij moeten het concept
van groene vinger, de realisatie van een grootstedelijk park
(naast en ten zuiden van het vliegveld) en de beperking van
hinder de belangrijkste uitgangspunten zijn. Indien de verdere
uitbouw en optimalisering van de luchthaven- en van de
luchtvaartgebonden voorzieningen en bedrijvigheden wenselijk
wordt geacht, kan dit slechts op zeer beperkte schaal gebeuren
(binnen de grenzen van het gewestplan) waarbij rekening moet
worden gehouden met de zeer beperkte draagkracht van deze
ruimte. In ieder geval zijn hiervoor duidelijke compenserende
maatregelen nodig.
Een uitbreiding (verlenging startbaan) zou sowieso leiden
tot een aantasting van het concept van de groene vinger en een
grotere belasting voor de omgeving.
In ieder geval moeten de nodige maatregelen genomen worden
om een vermindering van de geluidsbelasting voor omwonenden te
verzekeren.
Bij de beslissing in dit dossier dient rekening gehouden te
worden met de destijds goedgekeurde visie van het gewestplan
nl. na het verdwijnen van de luchthaven moet deze plek een
grootstedelijk park worden.
Niettegenstaande de exploitatie van de inrichting, die het
voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt,
verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige
voorschriften van het gewestplan, dient bij de beoordeling van
deze aanvraag in redelijkheid worden nagegaan of het behoud en
de verdere exploitatie binnen het verstedelijkt gebied nog
verantwoord is. Belangrijke elementen zijn geluidshinder,
vliegbewegingen, sportvliegen.
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 1 juni
1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake
milieuhygiëne, zoals herhaaldelijk gewijzigd, hiernagenoemd
het 'Besluit'.
Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt
vermeld dat het hier gaat over de exploitatie van een nieuwe
inrichting en van een inrichting die na wijziging of
aanvulling van indelingslijst vergunningsplichtig wordt
(start- en landingsbaan voor vliegtuigen): dat de exploitant
tijdens het plaatsbezoek van 13 december mondeling bevestigt
dat er tot op heden geen enkele milieu- of
exploitatievergunning bekomen werd.
Overwegende dat er tijdens het openbaar onderzoek 1
mondeling en 7 schriftelijke bezwaren, ondertekend door in
totaal 21 personen werden ingediend; dat deze bezwaren
betrekking hebben op volgende punten:
De Vlaamse overheid overtreedt als exploitant van de
luchthaven tot op vandaag de VLAREM-wetgeving omdat zij over
een enkele milieu- of exploitatievergunning beschikken voor
activiteiten die reeds jaren lang plaats vinden en ook al
jaren lang vergunningsplichtig zijn.
Er wordt geen vergunning gevraagd voor de opslag van kerosine,
indien deze vergunning reeds is toegekend aan een
concessiehouder betreft dit dossier het onrechtmatig
opsplitsen van een milieutechnische eenheid
De exploitant beschikt blijkbaar voor heel wat recent
opgerichte constructies niet over een bouwvergunning.
Er kan overeenkomstig VLAREM II geen vergunning worden
verleend voor het gebruik van PCB-houdende transformatoren en
enkelwandige ondergrondse stookoliehouders
Bedrijfsafvalwater mag niet in oppervlaktewater geloosd worden
en moet voor lozing in de riolering gezuiverd worden
Het rioleringsplan is onduidelijk en de luchthaven beschikt
niet over een gescheiden stelsel voor hemel- en afvalwater
Er worden heel wat aanpassingswerken in 2000 voorzien, er
wordt getwijfeld of deze ook effectief zullen uitgevoerd
worden en of deze werken niet passen in de geplande
uitbreiding van de luchthaven. Men moet in dit dossier de
situatie van vandaag beoordelen.
Er wordt geen vergunning aangevraagd voor de graspiste hoewel
deze toch in gebruik is
Charters, intercontinentale vluchten, trainingsvluchten en
touringvluchten horen niet thuis op een zakenluchthaven. Enkel
zaken- en een beperkt aantal lijnvluchten mogen overblijven.
Er werd te weinig ruchtbaarheid aan het openbaar onderzoek
m.b.t. dit dossier gegeven
Het dossier hoort in klasse 1 (milieutechnische eenheid
gekoppeld aan de opslag van kerosine) en moet daarom opnieuw
en correct worden ingediend.
De commerciële belangen van enkelen mogen niet zwaarder wegen
dan het belang van de talrijke omwonenden.
De vergunning mag slechts worden verleend voor een beperkte
tijd (tot het HST-net voltooid is) en er moeten bijzondere
milieuvergunningsvoorwaarden worden opgelegd.
Er moeten bijzondere voorwaarden worden opgelegd om de
geluidshinder in de dichtbevolkte omgeving van de luchthaven
te beperken (o.m. sluiting om 22u i.p.v. 23u; voorwaarden
m.b.t. de maximaal toegelaten geluidsniveau's voor opstijgende
en landende vliegtuigen, aangepaste aanvliegprocedures).
De exploitatie van de luchthaven veroorzaakt geluidshinder bij
de omwonenden met mogelijk nadelige gezondheidseffecten.
Gelet op art.2.2.1.1 van het Besluit; dat hierin gesteld
wordt dat ter beoordeling van het specifiek geluid van een
inrichting de in bijlage 2.2.1 van het Besluit aangegeven
waarden door de vergunningsverlenende overheid als
richtwaarden dienen gebruikt te worden; dat deze voor
woongebieden zijn vastgesteld op 45 dB(A) (tussen 7 en 19u),
40 dB(A) (tussen 19 en 22u) en 35 dB(A) (tussen 22u en 7u);
dat deze waarden ook als milieukwaliteitsnormen voor het
omgevingsgeluid in open lucht worden aanzien;
Gelet op art.2.1.2 van het Besluit; dat de
vergunningsverlenende overheid maar ook de overheid in het
algemeen, hier ook als exploitant van de inrichting, rekening
moet houden met de milieukwaliteitsnormen bij het plannen en
realiseren van haar beleid;
Overwegende dat er voor de exploitatie van een start- en
landingsbaan voor vliegtuigen (rubriek 57) geen normen voor
het specifiek geluid afkomstig van de exploitatie van deze
inrichting zijn vastgesteld; dat de vergunningsverlenende
overheid bij de behandeling van milieuvergunningsaanvragen
voor dit type van inrichtingen daarom rekening moet houden met
enerzijds de milieukwaliteitsnormen voor geluid zoals
vastgesteld in bijlage 2.2.1 van het Besluit en anderzijds met
het aantal potentieel sterk gehinderde personen zoals berekend
overeenkomstig art.5.57.1.2 van het Besluit;
Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt
vermeld dat de luchthaven in gebruik is van 6u30 tot 23u;
Gelet op het rapport "Het opstellen van
geluidscontouren voor de regionale Vlaamse luchthavens'
dd.31/1/1998 opgesteld door het laboratorium voor akoestiek en
thermische fysica van de Katholieke Universiteit Leuven (KUL)
in opdracht van de Vlaamse milieumaatschappij (VMM) in het
kader van de opstelling van het Milieu- en Natuurrapport
Vlaanderen, verder het Rapport genoemd; dat dit document
voltooid is maar niet bij de aanvraag gevoegd werd; dat dit
document onontbeerlijk is om een evaluatie te kunnen maken van
de milieu-impact van deze inrichting op de omgeving; dat in
dit Rapport de LDN-contouren voor de luchthaven Antwerpen
worden berekend zoals bedoeld in art.5.57.1.2 §1.1 van het
Besluit alsook de LAeq,dag contouren zoals bedoeld in
art.5.57.1.2 §1.2 van het Besluit; dat op pag. 34 tabel 18
van het Rapport wordt vermeld dat het aantal potentieel sterk
gehinderde personen zoals bedoeld in art.5.57.1.2. van het
Besluit wordt berekend op 1.920 personen; dat het aantal
potentieel matig gehinderde personen wordt berekend op 7.079
personen;
Overwegende dat de LAeq,dag waarden kunnen beschouwd worden
als berekende waarden voor het specifiek geluid afkomstig van
deze inrichting; dat in de LAeq,dag contourzone van +55 dB(A)
7840 personen wonen (pag.28 tabel 7 van het Rapport);dat de
contourzone van 35, 40 of 45 dB(A) niet berekend en dus ook
niet gekend zijn;
dat wel kan aangenomen worden dat er binnen deze laatste
contourzones nog veel meer personen wonen; dat deze personen
allemaal in min of meerdere mate hinder kunnen ondervinden
omdat het berekend specifiek geluid van de inrichting in dat
gebied hoger is dan de richtwaarden vermeld in bijlage 2.2.1
van het Besluit;
Overwegende dat de VZW Milieu en Veiligheid in opdracht van
de exploitant van de luchthaven (ministerie van de Vlaamse
gemeenschap, departement LIN, afdeling wegen en verkeer,
dienst personenvervoer en luchthavens) in januari 1999 een
beperkte milieu-impactstudie-MilieuEffectenRapport heeft
opgesteld, verder MER genoemd; dat dit document voltooid is
maar niet bij de aanvraag gevoegd werd; dat dit document
onontbeerlijk is om een evaluatie te kunnen maken van de
milieu-impact van deze inrichting en een eventuele uitbreiding
op de omgeving;
Overwegende dat op pag.78 van het MER wordt vermeld dat in
de woonwijken in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven
in 1996 gemiddeld 78 opstijgende vliegtuigen per dag werden
geteld die ter plaatse (immissie) een berekend gemiddeld
geluidsdrukniveau van 75 tot 80 dB(A) per opstijgend vliegtuig
veroorzaken en gemiddeld 6 toestellen per dag die een
gemiddeld geluidsdrukniveau van meer dan 85 dB(A) produceren;
dat er bovendien ongeveer evenveel toestellen per dag landen
waarbij de gemiddelde geluidsdrukniveau's meestal tussen 75 en
90 dB(A) zijn gelegen (gemiddeld 2 maal per dag tussen 90 en
95 dB(A)); dat dit berekende waarden zijn, op basis van
gemiddelde geluidsdrukniveau's van representatieve
vliegtuigtypes per groep, daar er tot op heden geen praktisch
bruikbare geluidsmetingen over voldoende lange termijn zijn
uitgevoerd; dat bij de berekening geen rekening is gehouden
met omgevingsfactoren als windrichting, temperatuur,
luchtvochtigheid, invloed van gebouwen,... en de situatie op
sommige plaatsen en momenten erger of beter kan zijn dan
berekend
Overwegende dat het aantal vliegbewegingen voor de
internationale luchthaven Antwerpen werd vastgesteld op 61.182
per jaar (in 1996, zie pag.16 van het Rapport); dat bijna 75%
van deze vliegbewegingen werd uitgevoerd met vliegtuigen met
een gewicht van 2 ton of minder (zie pag. 20 van het Rapport);
dat dit de zogenaamde 'sportvliegtuigen' zijn; dat het aantal
vliegbewegingen mede bepalend is voor het geproduceerde
lawaainiveau in de omgeving (LAeq,dag contouren); dat men zich
kan afvragen of deze toestellen thuis horen op een
"internationale luchthaven';
Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag (bijlage 4)
vermeld wordt dat de luchthaven vooral bedoeld is voor
lijnvluchten naar bv. Londen, Genève en Amsterdam, charters,
intercontinentale vluchten, taxi- en zakenvluchten en ook voor
commerciële vluchten (inclusief medische vluchten),
trainings- en touringvluchten;
Overwegende dat op blz.34 van het MER vermeld wordt dat de
commerciële vluchten ook de zogenaamde lokale commerciële
vluchten als demonstratie-, publiciteitsvluchten en luchtdopen
omvatten (11.118 bewegingen voor lokale commerciële vluchten
in 1997); dat hier vermeld wordt dat de touringvluchten
(10.958 bewegingen in 1997) ondernomen worden 'met het oog op
het ondernemen van een plezierreis"; dat de commerciële
vluchten, trainings- en touringvluchten ondernomen worden met
de zogenaamde 'sportvliegtuigen' en dat dit dus duidelijk
vluchten zijn met een recreatief karakter; dat deze vorm van
luidruchtige recreatie aan de rand van de agglomeratie
Antwerpen niet meer op zijn plaats is;
Overwegende dat men zich kan afvragen of het uitvoeren van
trainingsvluchten voor leerling-piloten boven een dicht
bevolkte agglomeratie geen onnodig hoge risico's met zich
meebrengen (30.079 bewegingen in 1997 of 1/2 van het totaal
aantal bewegingen);
Overwegende dat de lijn- en zakenvluchten, nochtans de
hoofdactiviteit voor een internationale (zaken)luchthaven, in
verhouding slechts een geringe betekenis hebben (11.539
bewegingen in 1997 of 1/6 van het totaal aantal bewegingen;
inmiddels nog minder omdat er drie luchtvaartmaatschappijen
hun lijnvluchten hebben stopgezet);
Overwegende dat de exploitant en de gebruikers van de
luchthaven in het verleden reeds herhaaldelijk gesteld hebben
dat de luchthaven in zijn huidige vorm niet geschikt is voor
lijnvluchten naar verre bestemmingen, charters en
intercontinentale vluchten en onrendabel is omdat de startbaan
te kort is; dat deze stelling door de exploitant tijdens het
plaatsbezoek van 13 december 1999 mondeling bevestigd werd;
Dat een verlenging van de startbaan niet gewenst is;
Overwegende dat deze milieuvergunningsaanvraag betrekking
heeft op de luchthaven in zijn huidige vorm (incl. de lengte
van de huidige startbaan); dat men zich bijgevolg de vraag kan
stellen of de (geluids)hinder veroorzaakt door de exploitatie
van deze inrichting nog te verantwoorden valt door het geringe
economisch belang dat aan de exploitatie ervan verbonden is
(de luchthaven is, zoals eerder door exploitant en gebruiker
gesteld, in zijn huidige vorm onrendabel);
Overwegende dat de HST (Hoge SnelheidsTrein), na voltooiing
van het net, een volwaardig alternatief zal vormen voor
verplaatsingen naar alle omliggende landen en een snelle en
comfortabele verbinding met de luchthaven Brussel-Nationaal
zal mogelijk maken: dat de HST in dat geval als
BBT-alternatief (Best Beschikbare Technieken) voor de
exploitatie van de internationale luchthaven Antwerpen kan
aanzien worden;
Overwegende dat uit voorgaande kan besloten worden dal de
exploitatie van de luchthaven ernstige hinder veroorzaakt voor
duizenden omwonenden en onder de huidige vorm onrendabel is en
hoofdzakelijk gebruikt wordt voor recreatieve vluchten en
trainingsvluchten; dat de exploitatie van de inrichting
bijgevolg zowel vanuit milieutechnisch, bedrijfseconomisch en
stedenbouwkundig-planologisch opzicht dient beëindigd te
worden; dat er bijgevolg geen vergunning kan worden verleend
voor het deel van de inrichting, ingedeeld onder rubriek
57-1-1° (de start- en landingsbaan);
Overwegende dat de exploitatie van alle andere in de
milieuvergunningsaanvraag vermelde inrichtingen onlosmakelijk
verbonden is met het al dan niet vergund zijn van de rubriek
57.1.1°; dat er derhalve ook geen vergunning kan worden
verleend voor alle inrichtingen die in de
milieuvergunningsaanvraag vermeld worden;
Overwegende dat de 2 transformatoren (nominaal vermogen 400
kVA per stuk) als nieuwe inrichtingen moeten worden beschouwd
en overeenkomstig art.5.12.0.2 van het Besluit niet mogen
gebruikt worden daar zij PCB-houdende stoffen bevatten;
Gelet op art.5.17-^4 van het Besluit; dat de opslag van
gevaarlijke vloeistoffen in enkelwandige metalen ondergrondse
houders slechts is toegelaten indien dit door een
milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen
of gevaarlijke stoffen is aanvaard; dat dit moet blijken uit
een attest dat is opgesteld door voornoemde milieudeskundige;
dat de exploitant niet over dergelijke attesten beschikt; dat
deze tanks niet voorzien van een lekdetectiesysteem en een
overvulbeveiliging; dat er bijgevolg geen vergunning kan
worden verleend voor de opslag van 3.000 liter afvalolie en
tweemaal 10.000 liter stookolie (tank B1 en B2);
Overwegende dat in de aanvraag wordt vermeld 2/3 van het
bedrijfsafvalwater wordt geloosd op de zogenaamde "Zwarte
Beek"; dat dit overeenkomstig het verslag van de dienst
waterbeleid van de provincie Antwerpen dd. 19/10/99
(ref.GWKL'9500000004/JVD) een niet geklasseerde waterloop
betreft; dat de Luchthavenlei en vosstraat van openbare
riolering met aansluiting op een RWZI (zone A) voorzien zijn
en dat alle afvalwater dus in de openbare riolering moet
geloosd worden; dat noch het debiet noch de samenstelling van
het afvalwater kunnen gemeten worden;
Overwegende dat het bedrijfsafvalwater grotendeels uit
hemelwater bestaat; dat het afkoppelen van het
niet-verontreinigd hemelwater noodzakelijk is; dat de afvoer
naar de Zwarte Beek op dit moment geen zin heeft daar het
water van de Zwarte Beek verderop in de openbare riolering
terecht komt (mondelinge informatie stad Antwerpen); dat er op
het terrein van de luchthaven de waterloop nr.5 (oude atlas)
loopt en deze naar verluid via ondergrondse leidingen in de
vijver van het park Boekenberg te Deurne terecht komt en
bijgevolg bruikbaar is voor de afvoer van niet-verontreinigd
hemelwater;
Overwegende dat op basis van het voorgaande de aangevraagde
lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewateren niet kan
worden vergund; dat het bedrijfsafvalwater integraal in de
openbare riolering moet worden geloosd: dat het
niet-verontreinigd hemelwater afzonderlijk moet worden
opgevangen en moet worden afgevoerd naar een oppervlaktewater
(mogelijkheid waterloop nr.5 onderzoeken).
Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag geen
vergunning wordt gevraagd voor de opslag of het verdelen van
kerosine (vliegtuigbrandstof); dat deze activiteit
onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie van een
luchthaven; dat tijdens het plaatsbezoek werd meegedeeld dat
de opslag en verdeling van kerosine in concessie is gegeven
aan Air BP (afdeling BP-Belgium); dat BP hiervoor over een
eigen exploitatievergunning ARAB klasse 1 beschikt {verleend
in 1989, geldig tol 12/10/09); dat er nog verschillende andere
concessiehouders vergunningsplichtige activiteiten uitvoeren
zoals onderhoud van vliegtuigen, hel opslaan en verdelen van
brandstof,...: dat sommige onder hen hiervoor over een
exploitatievergunning beschikken; dat de exploitant op onze
vraag niet kan meedelen welke activiteiten door de
concessiehouders worden uitgevoerd en of zij daarvoor allemaal
over een milieu- of bouwvergunning beschikken; dat deze
activiteiten allemaal onlosmakelijk verbonden zijn aan de
exploitatie van de luchthaven en hel geheel daarom als een
milieutechnische eenheid zoals bedoeld in art.1-1-2 van het
Besluit moet beschouwd en behandeld worden; dat deze aanvraag
nu niet als dusdanig behandeld wordt; dat het verlenen van een
concessie de eigenaar van hel terrein niet vrijstelt van alle
verantwoordelijkheid;
Overwegende dat de stookinstallaties moeten voldoen aan de
luchtemissievoorwaarden voor nieuwe inrichtingen; dat de
stookinstallaties er allemaal tussen de 2 en 5 jaar of langer
staan; dat het bijgevolg twijfelachtig is of deze installaties
aan de strenge normen voor nieuwe installaties kunnen voldoen:
dat de exploitant geen enkel bewijsstuk kan leveren dat dit
mogelijk is;
Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag geen
vergunning wordt gevraagd voor het gebruik van de
grasstartbaan (lengte 1.107m) en deze dus in de toekomst niet
verder zal geëxploiteerd mogen worden; dat de exploitant
tijdens hef plaatsbezoek op 13 december 1999 mondeling heeft
meegedeeld dal de exploitatie van de grasstartbaan moet verder
gezet worden;
EN BESLUIT:
ongunstig advies te verlenen over deze aanvraag.
NAMENS HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN:
De gemeentesecretaris De burgemeester-voorzitter
(Get.) J. Peeters (Get.) W. Dehaen